![]() |
![]() |
||||||||||||||||
| Nieuwe
bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode
Deel V
Naast de eigenlijke zorg van de Matricularia voor kosterij en administratie, was aan de koster de taak toebedacht ook de dorpsarmen bij te staan.
Geleidelijk aan werd deze armenzorg toevertrouwd aan een organisme, eerst onder geestelijke, later ook tijdelijke controle, tot het uiteindelijk uitmondde in de latere commissie van Openbare Onderstand, nu OCMW.
Dit organisme dat zich om de armen bekommerde werd genoemd: de Tafel van de H. Geest ofwel kortweg: de H. Geest.
De mensen die daarmee belast waren, waren de H. Geestmeesters, de Armenmeesters of de momboors, de voogden.
Reeds in het begin van de 14 de eeuw bestond te Rode een H.Geesttafel. Dit maken we op uit het feit dat in 1372 de H. Geest als regenote of aanpalend bezitter genoemd wordt in een notariële akte. (Lib. R.3.P. p. 147 verso)
In 1368, 3 september maakt Margr. Maes, bijzit van Jan van Rode, aan haar bastaard 25 mottoenen op een half dagmaal bempt, en indien hij ondertussen overlijdt, aan de H. Geest van Rode (L.R.S.P.) We onthouden hieruit eveneens dat deze H. Geesttafel door de bezittende mensen nu en dan wel eens bedacht werd met een erfenis onder vorm van grond of geld.
Het bezit van deze H. Geest was te Rode in 1618, uitgegroeid
tot het volgende
1) Erfpachten
2) Renten in geld
3) Eigendommen in grond
4) Beemden en weiden van de H. Geest
5) Bossen van de H. Geest:
Uit deze inventaris blijkt zeer duidelijk dat het bezit van de H. Geest te Rode zeer groot was. Hoofdzakelijk groeide dit bezit door aanzienlijke schenkingen die de bewoners deden aan het armenbestuur. Zoals in 1630 bijvoorbeeld, toen een zekere Mayken Van Roost 1/2 dagm. schenkt, liggende in het Hellegat onder de Spileik, of in 1620, jaar waarin de H. Geesttafel bij testament zeven dagmalen land toebedeeld krijgt, of 1690, wanneer Jan Sutrix bij testament 4 grote percelen geeft (zie pastoor Van Duysel).
Zo heeft zich door de tijden heen een zeer aanzienlijk bezit gevormd, waaruit de H. Geest kon putten om de armen te helpen. Het spreekt vanzelf dat zulke rijkdom goed moest beheerd worden en dat een controle van overheidswege zich opdrong. Daarom moest elk jaar de deken bij zijn kerkvisite de rekening nakijken: dit bleef zo tot 1789 te Rode. Ieder half jaar moesten door de rekenmeester de rekeningen voorgelegd worden aan de H. Geestraad, die om het half jaar ook wisselde: twee leden van de kerkfabriek en een van de H. Geest deden de halfjaarlijkse controle (Dek. bezoek 1657)
Waar gingen de inkomsten van deze instelling naartoe? Vergeten we niet dat in die tijden geen sociale voorzieningen het leven wat lichter maakten, zodat voornamelijk oude en zieke mensen, alsook wezen lelijk in armoede konden raken.
Er waren de huisarmen en de uitbestede armen. Huisarmen waren zij die nog wel in hun huisje woonden maar nu en dan dringend behoefte hadden aan hulp in natura. Uitbestede armen waren alleenstaande arme mensen die dan tegen betaling door de H. Geest werden ondergebracht bij andere mensen van het dorp. Daar kwam dus een geldelijke vergoeding bij te pas voor de verzorging.
Uit de tientallen rekeningen geven we een voorbeeld: In het jaar 1779 werden vier armen uitbesteed, tegen 120 gulden, terwijl, ditzelfde jaar twintig huisarmen werden voortgeholpen met "een paer koessens", een demotte broeck", "twee dierentijne Kassacken", "eenen lijnen nesdoek", "een camesol" of Holle Blokken" die 8 stuivers kostten.
De maalder moest bij de huisarmen regelmatig meel leveren ten belope van 's jaars ongeveer 60 guldens.
Indien iemand van deze armen ziek werd, werd de hulp van de chirurgijn ingeroepen, die de ziekte dan meestal met grof geschut te lijf ging. Zo vinden we enkele rekeningen van meester-chirurgijn Sente van Rode die in 1779 voor de armen volgende zorgen presteerde Spécification des médicaments, de visites et devoirs des pauvres du St. Esprit de St Pieters Rode, depuis l'an 1777 jusqu'a lan 1780, le 27 juin
Er werden in die tijd te Rode, zoals overal trouwens, wel eens onwettige kinderen geboren, en meestendeels viel de zorg daarvoor op de rug van de H. Geestmeesters. Daarom lezen we zeer dikwijls in de doopregisters dat de H. Geestmeesters zich het recht voorbehouden de vader op te zoeken opdat zij niet zouden moeten voorzien in het onderhoud van het kindje (bv. register dopen 1615)
Soms moest op algemene schaal worden geholpen, zoals bv. in de strenge winter van 1789, toen meermaals hout werd geschonken aan het volk opdat het zich zou kunnen verwarmen, terwijl de arme kinderen werden onderwezen op kosten van het armenbestuur (rekeningen van 1777 tot 1789)
Zo zien we dat geleidelijk aan de H. Geest-tafel een zeer weldoende invloed uitoefent in het dorp: en het werd met overtuiging gedaan en kristelijke geest: Marcus de Preter, oud-H.Geestmeester van St-Pieters-Rode, stichtte in 1720 een jaargetijde in de kerk van St-Pieters-Rode, en hij liet in de stichtingsakte noteren dat een brood moest gegeven worden aan iedere arme mens die voor hem naar de mis kwam. Waaruit wel blijkt dat het niet alleen een officiële, maar ook een diep-doorvoelde armenzorg was.
De tellingen van 1686, 1692-93, 1709 en 1755 geven ons een betere kijk op de toenmalige toestand.
In 1686 moesten van de ongeveer 45 huizen en 24 rechtgehouden worden door de H.Geest, in 1755 op de 80 huisgezinnen: 34. Dit hoeft ons niet te verwonderen naast de pastoor, de kapelaan, de Heer van Horst en de Meyer waren en slechts 4 onafhankelijke pachters in het dorp, de rest waren nog horige boeren of handwerklieden, naast een koster, een spinster, een ramaker, een blokmaker, een smid, een kleermaker, een schoenmaker en twee herbergiers: opvallend is dat op deze 80 gezinnen er slechts 1/5 met drie kindenen, 11 gezinnen met twee kinderen en 41 gezinnen met 1 kind: wat wijst op kinderstertfe ingevolge armoede en gebrek aan medische hulp.
Voegen we hier nog aan toe dat de verhouding tussen Rode en Houwaart, dat, tot en met de Roeselberg, parochie Rode was, niet schitterend waren, in zoverre dat arme inwoners van Houwaart, parochie Rode, die hulp kwamen vragen aan de H. Geesttafel van Rode, werden doorgestuurd, en verwezen naar de H.Geesttafel van Houwaart, zogezegd omdat ze wereldlijk van Houwaart waren. Waartegen die van Houwaart aanvoerden dat de abdij van Park - en dus gedeeltelijk Rode - de tienden van Houwaart wel wilden aanvaarden zonder verplichtingen op zich te nemen. Nochtans was hulp daar ook meer dan noodzakelijk (Arch. Past. Rode), vermits in hetzelfde document vermeld staat dat Houwaart bestond uit 30 huishoudens, samen 120 personen, meestal wonende in hutten (1753)
Deze toestand - en het verhelpen eraan door de H. Geesttafel
- heeft blijven bestaan tot begin der jaren 1800, toen vele goederen van
deze instelling werden overgedragen aan de burgerlijke Commissie van Openbare
Onderstand. Volgens de rekeningboeken van de H.Geest einde 17de eeuw werden
sommige zieken verpleegd in het gasthuis te Aarschot.
|