Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode

Deel 1.2
De heerlijkheid van Horst


Wie de bibliografie betreffende Horst even naslaat, wordt onvermijdelijk verwezen naar een genealogie der Heren Van Horst, verschenen rond 1890, van de hand van P. Colbaz en A. De Behault de Dornon. Dit was zowat de veilige gids aan wiens hand we in dit verre verleden konden doordringen. Ondertussen vonden we in het archief van de abdij van ‘t Park verhelderende stukken omtrent de meerdere heerlijkheden te St-Pieters-Rode, en een in de tijd verder reikende bezitterlijst van het domein van Horst.

Hoewel deze lijst niet elk probleem oplost, toch kunnen we er met zekerheid uit afleiden dat de heren van Rode wel degelijk van Sint-Pieters-Rode afkomstig moeten geweest zijn, daar waar vroeger wel eens verwezen werd naar de talrijke andere Rodes als bakermat van de familie.

We hebben de indruk dat dit archiefstuk uit het Park archief wel wat kwistig omspringt met de titel “Heer van Horst”, voornamelijk voor de eerste twee bezitters van de Heerlijkheid. We geven dan ook aan deze twee eerste Heren van Rode niet te veel krediet, temeer daar het handschrift van ‘t Park niet eigentijds is, maar dateert uit de 18de eeuw.

Voor de volgende bezitters der heerlijkheid stelt zich geen probleem, daar de stukken waarheen verwezen werd in het Parks handschrift plaatsnamen opgeeft die treffend overeenkomen met nu nog bestaande namen op dezelfde plaats te Sint-Pieters-Rode.

Als eerste heer van Horst wordt opgegeven - hoewel we dit betwijfelen - Arnoulfus de Rode

1096
eze was als getuige aanwezig bij het verwerven van het tiendenrecht van Genappe door de Abdij van Afligem. De gravin van Bouillon, moeder van Godfried, koning van Jeruzalem, liet deze rechten aan voornoemde abdij. De kopiist verwijst naar Miraeus I Fol. 17- 18, waarin inderdaad dezelfde datum wordt aangeduid.

1101
Dezelfde Arnulfus, Heer van Horst genoemd, was getuige bij de goedkeuring der restitutie, gedaan aan de kerk van Andenne door keizer Hendrik III (Mir.I p.368-369)

1131
Arnulfus de Rode wordt nog eens in het Parks’ archief dominus de Horst genoemd bij een akte van de bevestiging der stichting der Abdij van ‘t Park door de Luikse bisschop. Miraeus, waarheen verwezen wordt, noemt hem echter niet Dominus de Horst (Mir.I 92-931).

1160
Arnoldus van Rode en zijn vader, wellicht hoger vernoemde, zijn als getuige aanwezig bij de restitutie gedaan aan de abdij van St. Remigius door Godfried III hertog van Lotharingen (Mir.I 185-186)

De ‘catalogus dominorum temporalium de Horst’ uit het abdijarchief van ‘t Park verwijst dus naar deze twee heren als zijnde heren van Horst te Sint-Pieters-Rode. Met alle voorbehoud plaatsen we hen aan de spits van de Heren van Horst, daar deze hoger vernoemde documenten te weinig bewijskracht hebben.

Anders is het gesteld met de Arnoldus de Rode die in 1222 de kleine en grote tienden alsmede de helft van het patronaatsrecht te Rode in onderpand geeft aan de abdij van ‘t Park, voor een lening van 190 Leuvense gouden ponden. Hendrik, Hertog van Lotharingen, wiens leenman hij was, stond hem deze inpandgeving toe. In het contract verbond Arnoldus zich ertoe, dit onderpand niet terug te eisen binnen de termijn van 9 jaar. Na verloop van dit negende jaar moest de inlossing van de schuld gebeuren tussen het feest van St. Remigius en O.L.Vrouw Lichtmis. Indien binnen die gestelde termijn de schuld niet was betaald, zou de abdij in het volle bezit komen van de tienden en het patronaatsrecht over de Rodense kerk. Er is echter geen sprake van hoge, middelste of lage rechtspraak die de heer van Horst voor zich hield.

Om in het bezit te komen van die grote en kleine tienden en van het benoemingsrecht over de kerk hoeft de abdij geen lange tijd hoeven te wachten. Immers, in 1227 schonk, onder goedkeuring van Hertog Hendrik van Lotharingen, Arnold zijn tienden en patronaatsrecht definitief aan de abdij tot zielelafenis van zijn voorouders en in de hoop op goddelijke beloning.

Ongetwijfeld is deze schenking een noodgedwongen schenking geweest, onder invloed van het derde lateraans concilie onder Alexander III. Daarover hebben we het later. Hugo de Petra Ponte alias de Pierpont, bisschop van Luik, bevestigt in 1228 deze schenking. Op te merken valt dat hier twee documenten uit het Parkarchief noemen “Juxta Arschot”, en dat Arnold expliciet genoemd wordt, waardoor elke twijfel nopens het geslacht Rode er zijn verblijfplaats of bakermat vervalt.

We hebben getracht op te sporen waartoe de lening van zulke reusachtige som geld, 190 Leuvense ponden, wel kon gediend hebben. Een duidelijk spoor vinden we niet. Het was echter de tijd der kruisvaarten, waarin het merendeel der Brabantse heren, zelfs Godfried van Bouillon, zich verplicht zagen hun goederen als onderpand te geven om een kruisvaartdeelname met een legergroep te bekostigen. Nagenoeg overal waren hun geldschieters de abdijen. Tevens vermeldt Divaeus in zijn Leuvense geschiedenis een ridder Arnold van Rode, die in 1163, samen met hertog Godfried, naar Syrië ter kruisvaart toog, en die, na zijn terugkeer in 1164, schepene van Leuven was. Het zou ons geen verwondering wekken als deze lening gebeurde als gevolg van deze kruisvaart, die voor menig ridder een ruïne was.

Andere leden der familie de Rode zijn trouwens voor en na onze Arnoldus met de kruislegers meegetrokken. Uit het geslacht van Rode sneuvelde reeds in 1125 Franco van Rode bij het beleg van Torus in Phenecie, terwijl Raso, ander lid van de familie, in 1147 naar het H. Land vertrok. (Div. Lib. II pag. 87).

Daaruit blijkt dat de Leuvense families, ook niet de van Rodes, tijdens de kruistochten hun verantwoordelijkheid niet ontliepen. Voor de adel waren de gevolgen rampzalig, voor de kapittels, vorsten en abdijen brachten ze rijkdommen mee (cfr Verhoeven, p. 301).

De verwantschap tussen de familie de Rode of van Rode met Horst en Sint-Pieters-Rode blijkt trouwens nog uit volgend archiefstuk, betrekking hebbend op de zoon van Arnold, Goswin genaamd. Deze bevestigt namelijk dat zijn vader, Arnold, voor de kerk van Rode een stuk weide heeft afgestaan dat hij in leen had van de hertog Hendrik, gelegen bij de Blauwe Molen en 'Vredebroeck' genaamd. Deze plaats wordt nu nog zo genoemd op de kadasterplannen. Deze weide werd allodiaal gemaakt ten voordele van de kerk, om een jaargetijde te stichten na de dood van Arnoldus en zijn echtgenote op te dragen. Uit deze akte kennen we eveneens de tweede vrouw van Arnoldus, vader van Goswin: het was Machtildis.

Een 17 de eeuws document vermeldt dat de eerste parkpastoor van Sint-Pieters-Rode Hendrik de Rode was, broer van Goswin. We maakten hierboven vermelding van de tweede vrouw van Arnold, Mechtildis. Dit leiden we af uit een akte van 1222 waarin staat dat de zoon, geboren uit zijn eerste huwelijk, zich niet kan verzetten tegen het in onderpand geven van hongervernoemde tienden en begevingsrecht der kerk te Rode. De naam der eerste echtgenote hebben we echter niet gevonden.

Uit de twee huwelijken van Arnold van Rode, zijn minstens drie kinderen geboren

  1. Goswin
  2. Hendrik, pastoor te Rode
  3. een onbekende zoon die in 1222 niet bij naam genoemd wordt.

Deze onbekende zoon kan moeilijk iemand anders zijn dan de in 1268 en 1270 in het cartularium van Gemp vernoemde Jan van Horst, ridder. In 1268 wordt deze Jan in het cartularium van Gemp vernoemd als getuige samen met zijn zoon, Arnold, eveneens ridder, bij een rechtsgeding over de goederen van Gemp liggende te Lubbeek.

Het is deze Arnold van Horst, die na zijn vader Jan, Heer van Horst wordt. Hij huwde met Clarissa. Arnold wordt de vader van Renier van Rode, in 1305 vernoemd in het archief van Park gehuwd met Ysentrudis, Liefsta genaamd (Lib. Rh. S. P. pag 150), van Elisabeth, gehuwd met Goswin van der Eeckt - ter Eeckt ligt te Sint-Pieters-Rode -vernoemd in Lib. R. S. P. pag 168 in 1314 en in het necrologium van Park, en van Margaretha, gehuwd blijkens het Cart. van Gemp met Godfried van Goidsenhoven (1289).

Renier wordt Heer van Horst rond de jaren 1290. Met hem wordt de periode van verval ingeluid. In het boek over Sint-Pieters-Rode, berustend in het Parkarchief, vinden we ettelijke bladzijden die gewagen van schulden aan Leuvense families en geestelijken o.a. Walter van Liliendael, pastoor van Wilsele, Walter Uten Liemingen en Jan Scone. Deze schulden waren opgelopen tot 400 zwarte ponden. Daarom worden zijn goederen belast. In 1305 wordt een overeenkomst gesloten tussen de schuldeisers en de schuldenaar in volgende voege: zij zullen gedrien de helft krijgen van hetgeen Reniers zoon, Jan, reeds getrouwd, zal erven (Lib. R.S.F. pag. 150 verso), alsmede de helft van het huis met hof (Curti) gelegen op de markt te Leuven naast het huis van de kapitteldeken, Jan de Bertheem, waarin Renier op dat ogenblik verblijft. Dit is een zeer belangrijke verwijzing naar het feit dat de de Rodes te Leuven een residentie hadden. De andere helft dezer goederen was voor Beatrix, Reniers dochter, terwijl zij zelf, Renier en Ysentrudis, het vruchtgebruik van alle goederen bleven behouden zo lang zij leefden.

In 1307 wordt deze overeenkomst in detail omschreven (Lib. R.S.P. pag.151) Het betreft 3 bunder land in de Caveyshoeve, een huis en hoeve met een halve bunder grond, een hof met aanhorigheden bij het kasteel. Al de weiden tussen het kasteel en het verblijf der heren van Park (Pastorie), een weide de Donk genaamd en een weide de Oude Dijk (Doudijck) genaamd, plus een weide die in leen gegeven werd aan een zekere Walter Brievere en een die in leen gegeven was aan Theodorus De Monte (Vanden Bergh)

Op 3 november 1309 legt Renier zijn leen neer in handen van de grondheer ten voordele van zijn zoon Jan, op voorwaarde dat deze zijn schulden overneemt. Deze aanvaardt en verdeelt onmiddellijk zijn goederen onder zijn bastaardkinderen Jan, Catharina, Liefsta en Margaretha. Vermelden we terloops dat deze kinderen plus een nog later vermelde Renier (Lib. R.5.P.pag.170) geboren zijn uit verschillende vrouwen. Naast financieel verval had ook de heerlijkheid nog af te rekenen met morele ondergang.

Arnold van Rode (1096)
Arnold van Rode (1161)
Arnold van Rode (+ voor 1257) x Machtildis (+ voor 1250)
Kinderen:
1 Jan van Horst ( ? , 1268, 1270)
2 Goswin (1231, 1250, 1257)
3 Henricus, pastoor (1265)
Arnold van Rode of van Horst (1268, 1289, + voor 1310 (Lib. R.S.P.p. 162 e.v,)

x Clarissa

1 Renier (1305) x Liefsta (Ysentrudis)
2 Elisabeth x Goswin van Ter eeckt
3 Marqriet x Godfried van Goedsenhoven

Kinderen van Renier:
1 Jan (advokaat) x Gert. Svelters
2 Beatrix x Gerard Persoon de Lede

Kinderen van Jan:
1 Jan (advokaat) (uit Marg. Maes)
2 Catharina (uit Marg. Maes)
3 Renier (uit Elisabeth - Lib. R.S.P. 168)
4 Godfried de Erembodeghem
5 Liefste (Elisabeth)
6 Margaretha x H. de Gueldere

uit Cathar, vrouw van Walter, ridder
ofwel dochter van El.Schouden uit Leuven (Lib. R.S.P.162 e.v.)

Renier I kon echter niet de heerlijkheid en de bezittingen aan zijn zoon Jan overlaten zo deze bezittingen niet waren vrij gemaakt van erfrechten die zijn moeder, Clarissa, vrouw van Arnold, en zijn zuster Elisabeth daarop hadden. Daartoe hadden deze twee reeds afstand gedaan van hun rechten op 7 juni 1310 (Lib. R.S.P. pag 160) ten voordele van Jan, terwijl de zuster van Jan, Beatrix, in een archiefstuk van 1318, erkent dat zij door haar broer betaald werd voor het haar toekomende erfdeel (24 okt. 1318, Lib R.S.P. pag 160). Jan betaalde haar daarvoor 60 ponden.

Zo is de heerlijkheid, die zowat van overal erfelijk belast was, terug in handen gekomen van Jan, Reniers zoon. Deze Jan wordt nagenoeg in alle stukken genoemd Causidicus Lovaniensis, Leuvens advokaat. Uit deze erfenis en transactie blijkt dat hij zijn beroep met grote vaardigheid uitoefende. Moreel was hij echter niet zo briljant. Opvallend is wel dat in deze tijdspanne De Rodes te Leuven ook minder gemeentelijke functies krijgen.

In 1310 dus, onmiddellijk nadat hij alles had geërfd, vermaakt Jan zijn bezit aan zijn bastaardkinderen. Dit werd als volgt verdeeld (Lib. R.S.P. pag 162 e.v.)

Voor Margharetha, dochter van Elisabeth Schouden uit Leuven:

100 halve gouden ponden op 2 bunders land gelegen te Rode, Kempine genaamd, en gekocht door Jan van Rode van Henricus van Thunen.

Voor Catharina:

200 halve ponden op 2 bunder in de Caveyshoeve. Huis waarin vader van Jan (Renier) woont. Kist in dat huis, gesloten met ijzeren sloten, waarin allerlei kostbaarheden en kleinoden steken.

Voor Liefsta:

100 halve ponden op weiden gelegen tussen het kasteel en de pastorie, toebehorend aan wijlen Arnold van Rode, gelegen langs gene en deze kant van de beek.

Voor Jan Junior:

Huis te Leuven op de markt naast de deken van Berthem waarin zijn vader, Jan, woont, plus de 4de schoof die hij van Henricus van Thunen kocht. Deze vierde schoof hield de Thunen in leen op de goederen van Walter van Winge, zoon van Stalpaert.

Uit dit testament van 1310 kunnen we afleiden dat Arnold de Rode toen reeds overleden was en zijn zoon Renier soms te Rode resideerde. Dus is Horst pas na Renier, door deze vererving langs Catharina, rond 1310 in handen gekomen van de familie de Erembodeghem uit Holsbeek. Een archiefstuk van Park vermeldt (Catal. Dominorum Tempar. de Horst) dat de Erembodeghem echtgenoot was van één der dochters van Jan. Haar naam wordt weliswaar niet genoemd, maar we kunnen uit een andere akte afleiden dat dit Catharina is geweest die huwde met Godfried de Erembodeghem van Holsbeek, zoon van Godfried. In 1314 (Lib. R.S.P. pag 168) vermeldt een stuk dat Godfried de Erembodeghem afstand doet van zijn deel in de rechten op de Caveyshoeve, deel dat Catharina had geërfd.

Vanaf 1310 is het dus mogelijk dat Godfried de Erembodeghem leenheer is geworden van Adam en/of Arnold van Landwijck. De zoon van Godfried en Catharina, Ludovicus de Erembodeghem, "dienen hiet van Rode” is in alle geval in 1369 leenheer van Jan de Landwijck. Waarover later verder zal uitgeweid worden.

Naast het geleidelijk moreel en financieel verval van de Rode's, die stilaan uit Rode wegtrekken en meer en meer te Leuven verblijven, zien we een andere familie te Rode opkomen die stilaan, door begiftiging vanwege de Hertog en belening bij de Rode's, Heren van Horst worden: het is de Landwijck-stam.

Er moet wel een bepaalde - weliswaar duistere - familieband bestaan hebben tussen Adam van Landwijck en de oorspronkelijke familie De Rode: Hij draagt immers een schild dat verwijst naar verwantschap met de Rode's, eveneens zijn zoon Jan de Landwijck: Aan een charter van 1269 hangt een Landwijck-zegel dat M. de Troostembergh beschrijft als "dans un epicye cloide tribale a trois fleurons, un écu a trois fleurs de lys au pied pose et un franc quartier brochant (fruste). Legende; s. Johannis de .. la .. ik. Uit een studie van Dr. Malcorps in "Limburg" 1956, n.6-7 lichten we de volgende gegevens: Adam van Landwijck had een leen van Hertog Jan III (1312-1355) te Rode.

Dit komt overeen met het Parkarchief waarin rond 1325 geschreven staat Anno…. Adam van Landwijck verheft de heerlijkheid van Horst in den ouden leenboek van Brabant. Siet den voorsegden ouden leenboeck folio 29 verso. We vonden echter deze oude leenboek niet terug.

Het leen van Landwijck te Rode omvatte de vierde schoof te Rode, de beek vanaf Gemp tot aan de molen te Rode, de warande van vermelde villa te Rode. De vader van deze Adam van Landwijck, Arnold, had reeds 12 leenmannen van de hertog te Rode (Galesloot: De leenmannen van Jan III ).

Ze bezaten echter wel deze rechten, maar niet het kasteel. Dit kwam na 1310 als leen in het bezit van de Landwijck-stam, zoals hierboven toegelicht werd.

Er schijnen dus te Rode twee afzonderlijke - allicht verwante - takken van de familie de Rode bestaan te hebben. Om het juiste familieverband te vinden hebben reeds velen zich de hersenen gepijnigd, zonder overtuigend resultaat echter. De voorhanden zijnde gegevens daaromtrent zijn zo schaars dat we ons vergenoegen niet het probleem op te lossen, maar verhelderende gegevens mee te delen die uit originele stukken stammen. Belangrijk is te weten dat er degelijk onderscheid moet gemaakt worden tussen de juridische titel: heer van Horst, en het feitelijke bezit van het kasteel van Horst.

De heerlijkheid, hoge en lage jurisdictie, vierde schoof, en de beek plus warande behoorden toe aan de Landwijck-stam. Deze stam bezat zelfs allodiale goederen te Rode.

Het kasteel echter was eigendom gebleven van de familie de Rode, die het in leen gaf aan Landwijck. Dit blijkt duidelijk uit een notariële akte, berustend in het Parkarchief in het dossier Sint-Pieters-Rode, anno 1369, pag.246. Daaruit kunnen we ons eveneens een idee vormen over het verdeelde allodiale van de de Rode’s, in ‘t bijzonder Ludovicus de Erembodeghem: ‘Voorts de leene die ick, Jan van Lantwijck, houdende was van Lodewijck van Erembodeghem, dienen hiet van Rode, ieerst ‘t hoff ter Horst metter wooningen, boven en beneden, en mette molen daarbinnen gelegen. Item een stuck elsbroeckx, gelegen achter de wooninge, houdende 2 bunder lants, min ofte meer. Item een stuck elsbroeckx gelegen achter voorsegden molen, houdende een boender min ofte meer. Item een stuck eussels, geheeten ‘t geroede, houdende een boender min ofte meer gelegen aen ‘t veken ter Horsterbroeck. Item den Ossenbempt, Item noch ’t Horsterbroeck, alsoo ‘t gelegen es….”

Deze Ludovicus de Erembodeghem of van Rode was heer van ’t kasteel van Horst in naam van zijn vrouw, onnatuurlijke telg uit het geslacht van Rode (Cat. Don. Temp. de Horst Park).

Wat bij ons hoofdzaak is, is het volgende: Landwijck draagt een Rode-schild. Het Parkse archief, 1369, vermeldt de verklaring van Jan van Landwijck dat zijn voorouders de heerlijkheid Horst in leen hielden van de Eermbodeghem die, zoals we zagen, huwde met een de Rode, dus is er een welbepaalde continuïteit. Wellicht had het geslacht de Rode de zaken helemaal in ‘t honderd laten lopen, zodat een andere tak der familie, de Landwijck’s, heer van Horst werd tussen 1260-1300. Dit gebeurde geleidelijk aan. Uiteindelijk had Jan van Landwijck heel de heerlijkheid van Horst, ook het kasteel, zodat de naam de Rode meer en meer naar Leuven wordt overgeheveld. Arnoldus, vader van Renier, Renier zelf en zijn zoon Jan, worden dikwijls ‘Burger van Leuven’ genoemd, of ‘Advokaat te Leuven’.

De eerste stap tot het verwerven van de Heerlijkheid Horst door Landwijck werd gezet bij het uithuwelijken van Jan van Landwijck, in 1291, met Margaretha van Tervuren, onechte dochter van Hertog Jan I van Brabant. Beiden waren zeer jong. Overeengekomen werd tussen de ouders, dat zo een van beide verloofden voor bun huwelijk zou sterven, de ouders een hunner andere kinderen met de overblijvende partner zou laten huwen. Jan van Landwijck moest een bezit hebben, een hertogendochter waardig, daarom kreeg hij de eerste rechten op het land van Horst, maar ook de gronden te St-Truiden, Brustem en Aalst-bij-St-Truiden. Margaretha kreeg van de hertog 500 pond Leuvens mee als bruidschat, terwijl Jan van Landwijck onmiddellijk aangesteld werd tot kamerheer van de hertog.

Adam van Landwijck verbleef op het slot te Horst tot 1340 (Cart. Gemp). Tot 1369 bleef de heerlijkheid Horst in het bezit van Jan. Toen verkocht hij zijn leen met toelating van Johanna, hertogin van Luxenburg, Lotharingen en Brabant, en kreeg Amelrijk Boete, muntmeester van Brussel, het volle leen met hoge en lage rechtspraak en alle aanhorigheden, voor de som van 1000 franken “vrancryx, goet van goude ende swair van gewichte’.

Omdat dit charter zo belangrijk is om ons een beeld te vormen van de toenmalige heerlijkheid van Horst, geven we het volledig weer (Alg. Rijksarchief, Brabantse Charters)

Jehanne bider gratien goids hertoghinne van Luccenborch van Lothrik van Brabant, ende van Lymborch, marcgrevynne des heylichs Rycs, doin kont allen luden, ende bekennen openbairlic met desen yegenwerdigen brieue, dat wy van goider wittiger schout, in goiden gereden gelde ons geleent, sculdich syn. Onsen lieuve getruwen knape Amelrec Boete de somme van dusentfrancken vrancryx, goet van goude, ende swair van gcwichte, voir welke somme gelts voirscreuen, wy hem verpandt hebben, ende in handen geset, onze heerlicheit hoge, ende neder, vander prochien van Rode, in onzer meyerien van Loven by Cortelke gelegen, met mannen, dienstmannen, laten Renten forfayten ende allen anderen vervallen, rechten groet ende clein, in alle der seluer vuegen, ende manieren, dat wy die toten dage toe van heden aldair gehouden hebben, niet dair in utgesceydenen, Behoudelic allene, onsen Clocslach ende beede, als ons, onse last beede geuen sal Alsulke condicienn oic dair toe gedaen, als dat wy die selue herlicheit of onse oir, ende erfgenamen ende niemen anders weder lossen selen mogen, als ons des sal genuegen, met dusent francken, der seluer munten voirscreuen, of die weerde dair voir, also goet in anderen goiden goude, ende gelde, Ende oic dat amelrec voirscreuwenn synn oir ende erfgenamen, onse onderseten der seluer prochien, buten rechte ende vonnisse niet handelen en selen.

Ontbieden dair on beuelen ernstelic ende gebieden, onsen meyer van loues ende onsen Rentmeester van Thienen, die nu syn, of namaels syn selen dat sy Amelrike voirsreuen, ende syn oir, ende erfgenamen, onser berlichheit ende Renten, mit allen zaken die ons toehorende waren, in den voorscreuen prochien van Rhode gelegen paiselic gebruken laten, inder manieren voir vercleert Ontbieden beuelende oic as voiren, allen onsen mannen, dienstmannen, laten ende anderen onsen onderseten, binnen der seluer prochien geseten, van wat state sy synn, dat sy Almerike voirscreuen manscap doin, mit hulde, ende eede van trouwen, as dair, toebehoirt, ende anders allesins gehoisam wesen as hoiren here, want wy sy van hoirre hulden, ende eede ons gedaen quyt sceldenn met desen brieue. Hebben oic geloeft, voir ons, onse oir ende erfgenamen, Amelrike voirscreuen syn oir ende erfgenamen, ende gelouen in goiden trouwenn, vanden voirscreuen herlichheit, emit alle dienen, dat wy inder seluer prochien houderde waren, warant te sine voir cracht ende gewont, of hem die yement dair aen doin woude allen argelist utgescheiden.

In orconden des briefs dair wy onsen zegel aen hebben doin hangen, Ende om die meerre zekerheit, so hebben wy gebeden, bidden ende beuelen ernstelic, onse getruwe Raitslude, as hern Janne here van Rotselair, hern Janne here van Bouchout hern Janne here van Wittham drossate, Cortin van Ranst, ende Reynier Hollant, ter tyt onsen Rentmeester van Brabant, dat sy hoir zegele mitten onsen hier mede aan hangen willen, Ende wy, Jan here van Rotselair, Jan here van Bouchout, Jan here van Wittham drossate, Costin van Ranst, Ende Reynier Hollant Rentmeester van Brabant, ten beuele onser genediger vrouwen, der hertoghinnen van Luccemborch van Brabant ende van lymborch hebben alse getugen, onse zegelen hie mede aengehangen. In konnissen der wairheit ghegeuen te lyere, sessentwintich dage in Junio, int Jair ons heren m.ccc.achttentechtentich.

Dit dokument geeft ons een volledig beeld van de feodale heerlijkheid, hoge en lage rechtspraak, leenmannen die een “hof” hadden, dienstmannen, laten, renten, rechten groot en klein (b.v. molenrecht, visrecht enz.) Op te merken valt dat Amelrijk Boete reeds vanaf 1369 de grondkern der heerlijkheid afgekocht had van Jan van Landwijck, maar dat pas in 1388 deze heerlijkheid ten volle in zijn bezit kwam. Naast de rechten verkregen van de hertogin in 1388, kocht Am. Boete in 1369 volgende grondrechten en eigendommen:

Ick, Jan van Lantwijck, heere van Retie, ridder, doen condt yegenwelcken die desen brieven sien selen, en horen lesenn, alse dat ick kenne enlije dat Amelrijc Boete, poorter in Brussel, yegen mij waere en wettelijck gecocht heeft en vercregen, alsulcken goeden alse hiernae volgenn, om eene somme van twee duysentichh negen hondert en drijen twintig en eenen halven gulden penningen, geheeten mottoenen, der munten van Vilvoorden, ons heeren ‘s hertogen van Brabant; goede ende gave, en om vijftienhondert sessen vijftig florinen gulden penningen, goede ende gaeve dats te weten, drie oude gulde penningen geheeten schilde, goede ende gaeve voor vier gulde florine, des voors. gulden gerekent, daeraff ick mij kinne en volle wesen waere betaelt en van hem wettelijckk vergouden, en schelde hem daeraff volkomelyck quite en gelove hem oock daeraff nemmermeer mette eyssen, in geene voegen, dats te weten dat dit goede sijn die hij tegen mij vercregen heeft, hieronder beschreven

Eerst een leen dat ick houdende was van mevrouwe van Brabant, dat es de vierde schoof te Rode, de beecke te Gempe totter molen te Rode, de warande tot Rode en twaelf manschappe daertoe horende

Voort noch eygen landt dat in die prochie van Rode gelegen is, yeerst acht bunderen landts, yegen goet gelegen voore Thunen aende Wolfseycke. Item derhalf bunder eygens lands gelegen op ‘t klein prindael. Item een half boender eygens lants gelegen op ‘t groot prindael.

Voorts de leene die ick houdende was van Lodewijck van Eerembodeghem die men hiet van Rode; yeerst ‘t Hoff ter Horst metter wooningen boven en beneden, en metter molen daerbinnen gelegen. Item een stuck elsbroeckx gelegen achter de voors. wooninge, houdende twee boender lants min ofte meer. Item een stuck elsbroeckx gelegen achter de voors. molen, houdende een boender luttel min ofte meer. Item een stuck eussels, geheeten ‘t geroede houdende een boender luttel min ofte meer, gelegen aen ‘t veken ter Horsterbroeck. Item den Ossenbempt. Item noch ‘t Horsterbroeck alsoot gelegen es.

Voorts leen dat ick houdende was van den Heere van Wesemaelle, ierst twee stucken winnens lants, geheten de Gulden Delle, gelegen achter de Eeckte, inde prochie van Rode.

Voorts de leene die ick houdende was van Heere Ywanne van Wijnge, riddere, ierst de molen die men heet den Yserstuckenmolen, achter de Nuwermolen, met haeren voorslaege, wauweren en waeteren. Iten die helft van drij boenderen bempt, geheten de Nuwermolenbemde, daeraff dat Heere van ‘t Sompeke, riddere, houdende es dander hellicht vande voors. drij boenderen vande Amelrijk Boeten. Item vier boederen, onder lant ende bosch geheten de Haselberg luttel min ofte meer.

Voort die goede die ick houdende was van den abt van Parcke ierst den molen ter Biest, gelegen inde prochie van Rode, op twee schellingen goe gelts. Item den Wouwer enden Wijngaert, daraff nu bosch gemaeckt is, gelegen bij den hoven ter Horst, op achtentwintig penningen goet gelts. Item een eusel, geheten den boonhoff. Item drije boender lants, gelegen inde hoeve Cleerwijck, op 14 penningen goeds gelts, Item een boender lants gelegen inde hoeve die de here van Horst, Willem van Crawinckele en Aert van Tune, ochtbaere geboorten, te gaere houdende waeren op 10 penningen goeds gelts. Item drije dachmalen lants, luttel min of meer, belegen in de Molenhoeve, op alsulcken recht als uytterhoeve heet, echt te gevene pleget.

Voorts dat ick houderde was van den Heren van St. Jan te Ludicke: ierst den calverbempt, houdende sesse dacht. gelegen inde prochie van Rode en te Houdert, op 8 penningen goedts gelts.

Voortsnoch ‘t goedt dat ick houdende was van de Heeren van St. Bartholomeus te Ludick, yeerst een deel bosch, geheten Roeloffsbergh, en houdt ontrent derhalf boender, luttel min of meer, gelegen inde prochie van Rode. naest die goede Wouters van Dormaelle, op 3 schellingen 6 penningen goeds gelts.

Voorts de goede die ick houdende was van de Heere van Schoonvorst ierst de warande, gelijck als ickse, Jan van Lantwijck, riddere, en mijn voorvaderen hier voortijds gehouden hebben inde prochie van Rode, over de beke en mdc prochie van Nurode en daerontrent. Item de latecheys, capuynen, evenen, ganse en ‘t heerschap daertoe behorende op eene hande goede, gelegen ter heyde, te Houdert en ter quader Strate in de prochie van Nurode, gelijck als ick en mijn voorvaderen hier voortijds gehouden hebben.

Voort de goede die ick houdende was van den hove van Leefdale; ierst den Bruggenbempt. Item den Speckbempt of eusel geheten de Geree en

Voort de goede die ick houdende was van de Heere Janne Platvoet, riddere. Ieerst 21 dachmaelen lants, luttel min oft meer, geheten d’Ourecht en de Wolfkenshaege. Item een stuck bempts gelegen te Cleerwijck, van den molen, met sijnen toebehoort, gelijck ais ickk en mijne voorderen gehouden hebben gelijck dat alle dese voors. goede, met alle haere toebehoorten, in steden voorgenoemt sijn gelegen, en den voors. Amelrijc Boeten, daer wel bewijs sijn, min oudergescheiden, behoudelijckk en uytgenomen de molen te Cleerwijc die Henri de Pape houdende es, en twee boender lants en vier capuynen die Wouter van Dormacle houdende es, die de voors. Ame1rijc Boete niet gecocht heeft, van welcken alle voors. goeden ick, Jan van Lantwijck, riddere voors., voor mij voor mijn oor en voor mijne naecomelingen, bekinne...

Tot zover de volledige inventaris van de heerlijkheid Horst in 1369 tot 1388, toen deze inventaris werd bekrachtigd.

Voegen we er echter onmiddellijk aan toe dat hertogin Johanna in deze transactie twee reserves gemaakt had: Amelrijc Boete verkreeg de heerlijkheid, behalve de “clocslagh”, d.i. het recht om alle weerbare mannen van de heerlijkheid onder de wapens te roepen met de klok, in geval van nood. Ook behield de hertegin haar recht op ‘bede’, nl. het recht om belastingen te heffen.

Amelrijc Boete stichtte in de kerk te St-Pieters-Rode een zielemis met 9 lecties (1400), die rond 1770 nog steeds jaarlijks werd opgedragen (Manuale Past. Stas)

Volgens het abdijarchief van Park was Boete getrouwd met een ….. de Campenhout, terwijl Butkens in zijn Trophees du Brabant I p.40, schrijft dat zijn vrouw Elisabeth de Schoonhoven was. Uit een schepenakte van Leuven weten we dat Am. Boete stierf tussen 7 aug. 1402 en 3 maart 1406. Hij schonk aan de abdij van Park 10 gouden deniers, dictos francken, voor zijn jaargetijde op te dragen in het convent (Necrol. Abdij Park 25 april).

Uit het huwelijk van Amelrijc Boete met …. de Campenhout of Elisabeth de Schoonhoven werden, naar Parks archief, twee dochters geboren, Barbara en Elisabeth.

Barbara huwde met Jean de Schoenhoven. Ze is wellicht zeer jong gestorven, want haar zuster Elisabeth wordt vrouwe van Horst: zij verheft de heerlijkheid van Horst in een leenhof van Brabant, hetgeen geschiedde bij opvolging, vererving of koop. Telkens opnieuw moest de nieuwe leenman de leenheer trouw en aanhankelijkheid zweren; indien dit niet gebeurde verviel na verloop van tijd het leenrecht (Reg. der lenen van Brabant fol 29 Cfr Catal. Dom. Temp. de Horst, Park, Divaeus over Barbara Boete fol. 91 nr 16)

De heerlijkheid van Elisabeth Boete bestond uit Amelrijc Boete’s oorspronkeiijk bezit “Am. Boete van Brussele houdt ‘t huys ter Horst mit zijne toebeboirten, mitten winnenlande, beempten, rinten, shijnsen, pachten, boshen, moelen, viveren, wateren, manscapenheerlickheden, opcomingen, ende vervallen, den vierden schoof tot Rode, die beke tot Gempe totter moelen tot Rode, die warande tot Rode, twelf manscapen daertoe behoerende dat vercochte J. van Landwijck (Rekenkamer reg. 555 fol .33)

Elisabeth Boot of Boete- was gehuwd met Ludovicus van Boechout (Cat. Dom. Temp. de Horst). Het Cartularium van Gemp vermeldt hem in 1411 onder de naam Lonijs van Bouchout als heer van Horst. Met dit document kennen we eveneens de laten die zitting hadden in het laathof van Horst.

Het is van Elisabeth Boete en haar gemaal dat even na 1411 Amelrijc Pinnock, uit de Leuvense geslachten, de heerlijkheid kocht. Amelrijc Pinnock was familie van Elisabeth Boete. Hij was de zoon van ridder Hendrik Pinnock. en Catharina Boot of Boete. Volgens Pouillet was Catherina de zuster van Elisabeth.

Amelrijc Pinnock huwde met Margaretha de Schoonboven. Zo geraakte stilaan de Pinnock-familie, die naar het woord van Poullet, zoals trouwens vele leden der latere Leuvense geslachten, “uit een wolzak geschud waren” t.t.z. afkomstig waren van handeldrijvende of in de lakennijverheid werkzame families, stilaan ingeburgerd in de rasechte adel. Amelrijc verbleef met zijn vrouw op het slot te Horst, waar hij zich bezig hield met het beheer der goederen der heerlijkbeid. Uit het huwelijk van Amelrijc Pinnock en Margaretha de Schoonhoven werden 9 kinderen geboren (Cat. Dam. Temp. de Horst):

1) Ridder Jan Pinnock Heer van Vlasseleer en Nieuwrode
2) Henricus huwt met Jeanne Ruesen, oud burgemeester van Aarschot
3) Amelricus
4) Emundus
5) Ludovicus: huwde tweemaal:

1) Ida Kamerlinck
2) Margar. de Cortenbach

Hij overleed in 1448

6) Elsa, echtgen. Willem van Daelem
7) Margaretha: huwt G. de Clievere, luit. Meyer van Leuven
8) Ludovica: kanunnikes van Munsterbilzen
9) Elisabeth: Abdis H. Verlosser, Tensusteren (Divaeus, Butiens, Poullet)

Voornamelijk over Ludovicus zullen we nog wel hoeven te vertellen. Het hoeft geen betoog dat, eens de kinderen uitgehuwelijkt, de invioed der Pinnock-familie te Leuven enorm groot moet geweest zijn: aldus waren ze geworteld in nagenoeg elke invloedrijke Leuvense familie. De periode van het bewind der Pinnocks te Rode is gekenmerkt door een bloedig voorval dat in de volksverbeelding geleid beeft tot het vormen van een zwarte legende. De legende van de Heer van Horst, die ‘s nachts, klokslag twaalf, in een karos met vurige paarden bespannen over het dorp raast.

Hoewel de feiten heelwat omstreden werden, toch schijnt er wel een grond van waarheid te schuilen in deze volksoverlevering. Het verder ontsluieren van het Parks archief noopt ons ertoe de geloofwaardigheid van deze geschiedenis te bevestigen. De feiten hebben zich als volgt voorgedaan: De toenmalige pastoor- een witheer en niet een monnik van de Vlierbeek-abdij - Joannes de Campo, alias Jan van de Velde, werd in juli 1424 vermoord door ofwel Amelrijc en/of Lodewijk Pinnock, zijn zoon. De beweegredenen tot de misdaad zijn duister gebleven. Het is dan ook voornamelijk in het zoeken naar deze beweegredenen dat de legendevorming haar woordje heeft meegepraat.

De eerste versie- deze van Park- luidt als volgt: Jan van de Velde moest de mis opdragen. Daar de heer van Horst vermoedelijk op jacht of visvangst was en wel een heel stuk te laat zou komen, was de pastoor zo vermetel geweest de dienst te beginnen voor de heer aanwezig was. Amelrijc of Lodewijck vonden deze onwellevendheid zwaar genoeg om er korte metten mee te maken. Ze grepen de pastoor aan ‘t altaar vast en sneden hem de keel over. Reden tot deze moord in de legende zouden we kunnen noemen: gekwetste hoogmoed.

De andere versie- de Leuvense-, die tracht haar grote families te verdedigen in hun faam, houdt het bij het volgende (overname uit Paullet, die putte bij E. Bens ’Ruines et Paysages en Belgique):

Volgens de boeren van Rode leefde er lang geleden op zijn kasteel te Horst, te midden van bos en moeras, een feodaal heer (Amelrijc of Lodewijk Pinnockx) genoemd Heer van Rode die heerste tot ver in de omtrek. Iedereen wist dat hij zijn jeugd had doorgebracht in verre oorlogen en tragische avonturen. Maar ternauwernood durfden de leenheren spreken over het raadselachtige jeugdverleden van hun heer. Op zekere dag had de heer, die reeds bejaard en versleten was, maar daarom zijn onverdraagzaamheid en zijn hardheid niet had afgelegd, op het kasteel zijn vrouw binnegebracht die hij getrouwd had tijdens een van zijn reizen.

De nieuwe kasteelvrouwe was wondermooi. Vanwaar kwam ze ?? Dit was niet de hoofdbekommernis van de horigen, die er zich mee vergenoegden dat hun meesteres zo goed was als ze mooi was. Zodra een ongeluk of de harde hand van hun meester hadden toegeslagen in een der boerderijtjes, was er de zalvende hand van de meesteres om troost en soelaas te brengen.

Maar hoewel de kasteelvrouwe door haar goedheid het lot kon verlichten van hen die door hun stand gedoemd waren tot onderdanigheid, toch was ze zelf niet in staat het geluk binnen te brengen in haar huiskring. Noch haar goedheid, noch haar bevalligheid konden de rimpels wegtoveren uit het voorhoofd van haar echtgenoot. De Heer verveelde zich waarschijnlijk of werd gekneveld door een of andere wroeging over zijn jeugdjaren.

Op de lange duur vond hij er zelfs geen piezier meer in zijn leenheren te plagen. Met hen vechten dan ? Helaas - daaraan viel ook niet te denken zolang de Graaf van Leuven er nog was met zijn goede zwaard en zijn koene ridders om de vrede te doen eerbiedigen.

De heren uit de buurt, dan in vriendschap ontvangen om met hen te zingen, te drinken en te jagen! Hemeltje lief - ziet de norse heer zijn echtgenote eens naar Schoonhoven, Rotselaar, Wezemaal of Leuven vergezellen. Was hij niet nog meer jaloers dan nors ?

Dit bracht hem er toe zijn vrouw op te sluiten en ook zichzelf in het kasteel, en slechts eenmaal per jaar nam hij haar mee naar het kasteel van Heverlee, gedwongen als hij was te voldoen aan de feodale verplichtingen. Daarna kwam hij dezelfde avond weer, somber, wantrouwig en kwaad op iedereen en zichzelf, en legde de zweep op zijn paarden tot in de binnenkoer van zijn kasteel. Voor de kasteelvrouwe zou dit leed heel wat lichter om dragen zijn geweest als ze een blond kinderkopje had kunnen strelen - maar ook dat was haar niet gegund geweest. Zij moest zich ermee tevreden stellen te luisteren naar het geknars van de molen of naar de zilveren

klokketonen uit de Rodense kerktoren die driemaal daags de gelovigen aanzetten tot gebed - of te kijken naar de sierlijke zwanen op de vijver van het Rodebroek of de slotgrachten. Nooit echter kwam er klacht over haar lippen - maar ze legde het erop aan zelf gekwetst als ze was - anderen te helpen.

Haar aalmoezenmeester was een benedictijn, gekraakt door boete en door jaren, die de heer als kapelaan voor zijn slotkerk had uitgekozen. Die liep rond op heel het domein, zocht de zieken op, de vervolgden en verdrukten. Hij onderzocht welk leed te wijten was aan luiheid of aan tegenslag en bezorgde aan de behoeftigen de talrijke aalmoezen vanwege de kasteelvrouwe. Dit gebeurde in het geniep, want over naastenliefde zei de heer "uw linkerhand moet niet weten wat uw rechter geeft". Daarom vertrouwde de vrouwe haar goede werken toe aan de kapelaan.

De oude heer zei daarover niets, tot op een gegeven ogenblik zijn afgunst naar een andere richting uitging. Was deze oude benediktijn meer versleten dan de heer zelf, niet de bron van zijn ongeluk! Vandaar weer nieuwe zorgen voor de kasteelvrouw. Van alle kanten werd ze in ’t oog gehouden en op een hatelijke manier bespied. Tevergeefs overtuigden zijn gehoor, zijn gezicht en zijn rede de oude heer dat hij onverstandig was - en hij werd verteerd door woede omdat hij, in plaats van schuld te vinden, slechts onschuld en liefde tegenkwam.

En nog kloeg de kasteelvrouwe niet. Tot op zekere dag een onvrije op de gronden van zijn heer een haas gestroopt had. De ongelukkige werd verraden en door het gerechtshof van het domein veroordeeld opgeknoopt te worden. De arme zat in de diepe vochtige kerker en dacht wenend aan zijn moeder en zijn verloofde, die hij slechts heel even terug zou zien aan de voet van de galg. Maar zijn verloofde, afkomstig uit een naburig dorp, had de moed niet opgegeven. "Als ik tot bij de kasteelvrouwe kan geraken" zei ze bij zichzelf “is alles gered". Dat lukte haar, ze wierp zich voor haar voeten en smeekte haar tussen te komen voor de jongen die ze liefhad.

“Ik zal het trachten te doen" antwoordde deze, en snelde naar de heer om hem om genade te smeken. Maar hij weigerde, doch ze liet niet af. De kapelaan kwam haar ter hulp en eindelijk – op een ogenblik dat hij minder nors was dan gewoonlijk - gaf de heer toe en verleende genade aan de schuldige jager.

Niemand dacht meer aan het voorval met die arme jongen, de dame niet omdat ze zoveel goede dingen had gedaan en de heer niet omdat die ondertussen weer andere hersenschimmen najoeg en toen het ogenblik weer kwam van hun jaarlijks bezoek aan Heverlee.

De heer en zijn dame, vergezeld van hun kapelaan en de dienaars klimmen in de karos. De valbrug gaat neer, ze rijden de lange dreef naar Schubbeek op om te komen op de weg Leuven-Diest. Op enkele meter van de slotgrachten ontmoetten ze echter toevallig een bruidstoet. Iedereen haastte zich geschrokken opzij om de heer doorgang te verlenen. Maar de jonge bruid, blozend van aandoening, maakte plots het ruikertje veldbloemen los dat ze aan haar gordel droeg en wierp het op de knieën van de vrouwe van Horst. Met de tranen in de ogen dankte die voor dit gebaar en zoveel dankbaarheid. Dan had ze toch iemand gelukkig gemaakt. Ze had de jongen die ze redde van de galg herkend en het buitenmeisje dat haar mededogen was komen afsmeken "Waarvoor deze ontmoeting Mevrouw ? Wat in deze boeren verdient zo uw aandacht? "Maar de vrouwe deed alsof ze de heer niet hoorde - wie weet, of met een kwade geest of een rest jagersafgunst van haar man de enige mooie dag van deze sukkelaars zou kunnen bederven.

Ze maakte met haar vinger op de lippen een gebaar, om de kapelaan duidelijk te maken niets te zeggen. Maar de heer van Rode had, jammer genoeg, dit gebaar gezien.

"Wat betekent deze verstandhouding (tussen de vrouwe en deze paap ? Terug, schildknapen, wapenknechten, terug naar Horst - Verraders, ik twijfel niet meer aan mijn oneer !" En in een aanval van razende woede trok de heer zijn dolk, keelt de kapelaan in de karos en bezoedelt hij de bezwijmende echtgenote met het bloed van de ongelukkige benedictijn.

Toen de vrouw van Horst weer bijkwam, was ze waanzinnig. Spoedig kwam de dood haar verlossen van de bloederige spoken die haar beheksten - terwijl de heer, tot inzicht gekomen – door de misdaad, zijn dagen sleet in eenzaamheid, wroeging en verdriet. Naar men zegt deed hij zware penitentie, maar in hem stierf het eerste ras der heren van Horst.

De spoken doen sindsdien de windwijzers op de torens knarsen en piepen, en ze zuchten in de hoge schouwen. Elke avond - om middernacht - glijdt een zwarte karos, door zes zwarte wilde hengsten getrokken, met op de bok een zwartgeklede koetsier, door de donkere dreef. Met onheilspellend geluid stuift zij door de bomen, terwijl ge in de lucht hoort smeken, klagen en vloeken. Dan flitst het blinkend lemmer van een dolk in het duister - dan een snijdende kreet en daarna niets meer... het spookbeeld verdwijnt verzwolgen door de nacht.

Tot daar de romantische vertelling van Poullet en E. Gens. De aanleiding tot de moord op de priester, in dit geval een benedictijn, was de vermeende ontrouw van de kasteelvrouwe. Van benedictijnen als kapelaan op het kasteel te Horst vonden wij nog geen spoor. Wel vermelden de archieven sporadisch de pastoors van Houwaart en Kortrijk-Dutsel als kapelaan, en eenmaal, in 1525, priester Nicolaas Losterius die de beneficiënkluif niet vet genoeg vond en zich liet vervangen door de pastoor van Houwaart om 2 maal in de week aan het Antonius-altaar in de burcht de mis op te dragen.

In het archief van Park zijn er echter hieromtrent wel enkele verhelderende gegevens (Cat.Dom.Texp.de Horst)

1. Waarom sticht Amelricus Pinnock een jaargetijde voor de zielenrust van J. De Campo, en waarom drukt hij in 1461 nog eens extra Jan van Bourgondië op het hart, niet te vergeten dat de molen op de Biest te Rode belast is met 4 rijnsgulden en 1 mudde koren om de kosten van die dienst te betalen (Li.Rod.S.Petri, verkoopakte 1461)?

2. Dezelfde bron (Cat.Dom.Temp.) vermeldt in 1424 de moord op J. de Campo door Amelrijc en/of Lud. Pinnock.

3. Volgens de synodale statuten van Luik betreffende verschuldigde eerbied aan leden van de clerus, bestond de plicht voor priestermoordenaars die misdaad goed te maken door het stichten van jaargetijden. In Rode en ook in het kasteel van Horst werden de jaargetijden gesticht om het schandaal der moord uit te wissen en anderzijds om de banvloek te ontbinden die priestermoordenaars opliepen. Deze missen werden in 1653 door de mechelse bisschop gereduceerd tot missen t.e.v. het Heilig Sacrament (Handboek der pastoors van Rode)

4. Het is een feit dat in 1428 Ludovicus Pinnock uit Jeruzalem terugkomt. Divaeus, in zijn "De Septem Tribus" vermeldt deze terugkomst. Waarom was Pinnock naar Jeruzalem getrokken, en waarom liet hij te Rome zijn Hertog achter, om alleen verder te trekken? Daar waar juist volgens Parks archief hij als penitentie voor zijn misdaad een bedevaart naar Jeruzalem kreeg?

5. Het is een feit dat in 1424, jaar van de moord, Lodewijck Pinnock te Leuven als schepen vervangen wordt door Razo Gravius (Divaeus).

We mogen ten slotte aannemen dat gans de familie Pinnock, door de aard van haar beroep in de meest bloedige eeuw uit de Leuvense geschiedenis - er was altijd wel ergens een opstand of oorlog waarin ze de wapens hanteerden - er niet tegen opzag deze moord te voegen bij de zovele andere gruwelen. Het was nu eenmaal geen tijd van verfijnde kostschoolmanieren. In 1380 reeds lieten de Pinnocks de wever Joannes Holarius en een zeker Jan de Vlaming vermoorden. Waarvoor te Leuven de vroede vaderen met de daver op het lijf zaten uit schrik voor wraak van het volk. In 1381 pleegt diezelfde Pinnock-familie met enkele ondergeschikten in het Leuvense een opstand waarbij ze twee mensen doden en er een dodelijk kwetsen niet ver van Rotselaar. Om te ontsnappen aan het gerecht trok Pinnock zich met zijn bende terug op Horst, omgeven met diepe en brede slotgrachten, dat niet gauw zou begeven onder een stormloop (Divaeus, De Septem Trib.)

In hetzelfde jaar huren Pinnock en zijn clan sluipmoordenaars, die de wever Jan Gravius handen en voeten afkappen, hem op een kar smijten en zo naar huis laten voeren. Zo gaat die bloedige geschiedenis verder. Het was de strijd der heren tegen het opkomende volk. Wellicht viel pastoor van de Velde om een gelijkaardige reden onder het mes. Omstreeks dezelfde tijd onderscheppen de Pinnocks, samen met Godfried Uten Liemingen en Lodewijk Cricksteen, te Putte bij Wilsele een konvooi uit Leuven dat, waarschijnlijk met linnen, naar de Antwerpse markt trok. Zodat de wapenfeiten dezer familie gevaarlijk beginnen te gelijken op roofriddermanieren. Naar Parks handschrift werd Pinnock door de moord op de Campo totaal geruïneerd. Zodat hij in 1461 verplicht wordt Horst te verkopen aan de bisschop van Kamerijk, Jan, bastaard van Bourgondië.

Deze Jan van Bourgondië was inderdaad natuurlijke zoon van Jan zonder Vrees en, volgens sommigen, Agnes de Croy, volgens anderen Margriet Boissele. Hij werd in 1439 bisschop van Kamerijk dank zij de invloed van zijn broer, Philips de Goede. Zoals te dien tijde wel eens meer gebeurde had Jan van Bourgondië wel de juridische status van bisschop, met alle rechten van dien, maar ontving hij zelf de bisschopwijding niet. Hij liet zijn bisdom 41 jaar lang besturen door anderen: Op 27 april 1480 stierf "bisschop" Jan van Bourgondië, heer van Horst, te Mechelen in het paleis van Margaretha van York, weduwe van Karel de Stoute. Zijn laatste wens was dat zijn lichaam begraven zou worden te Brussel in Sint Goedele, en zijn hart te Kamerijk. Het was deze heer van Horst die voordien in 1455 met de stad Mechelen in scherp conflict geraakt was. Oorzaak daarvan was het feit dat de stadsmagistraten van Mechelen twee moordenaars hadden laten opknopen die hun schuilplaats hadden gezocht op het kerkhof van de karmelieten aldaar. Volgens aloude bepalingen waren misdadigers buiten vervolging zolang zij op een gewijde plaats vertoefden. Verbolgen over de vrijpostigheid van de Mechelse magistraten riep de bisschop over heel de staf het interdict uit, zodat elke openbare godsdienstuitoefening te Mechelen verboden was. Dit deed de maat overlopen, en de ene na de andere werden de Mechelse grieven op de bisschop afgevuurd voornamelijk zijn onverzadigbare geldhonger werd hem kwalijk genomen alle middelen waren goed om zijn weelderig en losbandig leven te betalen. De Mechelaars deden beroep op de paus. Deze gaf hun gelijk en tikte Jan van Bourgondië op de vingers, doch niet al te hard: zijn familie was te machtig. Zodat de onenigheid voortduurde tot 16 november 1458. We begrijpen maar al te goed waarom de bisschop van Kamerijk zijn hart elders liet begraven...

Of Jan van Bourgondië veel te Rode heeft verbleven valt te betwijfelen. In de verkoopakte van 1461 lezen we dat hij deze heerlijkheid had gekocht voor twee zijner kinderen

1. Philips van Bourgondië: geboren uit Clara van den Hoede
2. Elisabeth van Bourgondië: geboren uit Elisabeth van Immerseele (Li.R.S.P. Abdijarchief 1461)

De verkoopakte maakt melding van een reusachtige heerlijkheid, kasteel, aanhorigheden, watermolens, boerderij met boomgaard en wijngaard, visvijvers, acht volle lenen en 15 kleine lenen met recht op pontgeld pertkoren en laathof. Cijnzen in natura: hanen, ganzen, kippen. De rechtspraak te Rode, alsmede het recht de helft van de dorpsschepenen te noemen en een meier, de vierde schoof te Rode, het jachtrecht over heel het grondgebied van het dorp, behalve op het domein van Steenberg. Daarbij kwamen nog andere goederen die ze in leen hadden als achter-leen van de heren van Wezemaal, van Sichem, de abt van St-Geertrui, Hendrik de Schoonhoven en de heer van Marbais, van Meester Jan van Overwinghe en anderen. Daarbij kwamen dan nog de allodiale goederen waarvoor ze aan geen enkel heer verplichtingen hadden.

De verkoop door Amelrijc Pinnock aan Jan van Bourgondië verliep echter niet vlot. Immers, ook de broer van Amelrijc, Simon Pinnock, had eveneens rechten op het domein van Horst, meer bepaald op de vijvers van het Horstbroek (2 vivers geheten 't Horstbroek ende 3 savore). Daarvoor streek hij jaarlijks een rente op van 130 hollandse gulden, geheven op de heerlijkheid.

Van deze rechten wilde Simon niet afzien, tot er een tussenoplossing gevonden werd Bisschop Jan van Bourgondië zou de heerlijkheid kopen behalve 't Horsterbroek, de vijvers en het vishuisje daarnaast gelegen. Zodra de koop gesloten was plaatste, op 20 dec. 1461, de familie van Bourgondië een rentmeester op het kasteel die tegelijkertijd hun meyer en hun ontvanger zou zijn. Dat was Johannes van der Hofstad, en de schepenakte gaat verder "Fore earum castellanum, villicum et riddituarium apud Horst et in locis et villagiis circumvicinis. . .' (1 ste schepenkamer, 20/12/1461).

Lang is Horst niet in het bezit geweest van Bourgondië nauwelijks 20 jaar. Immers, in 1482 is Horst, bij decreet van de raad van Brabant, publiek verkocht aan de kleinzoon van Amelrijc Pinnock, Lodewijk, ridder en hofmeier van Leuven. Op 22 januari werd zijn heerlijkheid in de leenhof van Brabant opgenomen. Zo keerde het domein terug naar de familie die er eens zo fier over was. Het is met deze Pinnock dat Horst zijn grootste en zijn zwartste dagen zal beleven zoals zijn heer en meester zelf trouwens glorievolle en zwarte dagen kende.

De reden waarom Philips van Bourgondië, zoon van Jan, en zijn echtgenote Wiliarde de Sompeke, genoodzaakt waren Horst te verkopen liggen voor de band. Philips had zich geruïneerd in de oorlogen van Karel de Stoute en Maximiliaan. Deze afbraak van het patrimonium gebeurde geleidelijk aan, want reeds in 1480 had Philips de heerlijkheid Schubbeek verkocht aan een andere Pinnock: Henri, zoon van Amelrijc. Deze Henri was gehuwd met Joanna Reusen en was oud-burgemeester van Aarschot. Belangrijk en eigenaardig in deze akte is het voorkomen te Schubbeek van een ban-oven. Dit wil zeggen dat alle horigen van de Schubbeekse heerlijkheid verplicht waren hun brood te laten bakken in de oven van de heer, die natuurlijk mee-at (Schepenakte 1480, 2 de kamer 30 maart 1481).

Toen na deze verkoop bleek dat de schulden van Philips te hoog waren opgelopen en Schubbeek niet zou volstaan om de put te vullen moest de heerlijkheid Horst eraan geloven en kwam ook zij onder de hamer. Daar Henri Pinnock niet rijk genoeg was om de som te betalen werd het op een akkoord gegooid: zijn neef Lodewijk zou Horst overnemen indien bij ook Schubbeek zou kunnen kopen van zijn oom (Rekenkamer, reg.555 fol.13) Op 22 juli 1482 werd als meyer door Lodewijk Pinnock op de heerlijkheid van Horst aangesteld: Pieter van der Straeten. Tegelijkertijd zou hij ontvanger zijn. De Horst-vijvers kwamen in 1482, uit de erfenis van Simon Pinnock over zijn oom Henri, het bezit vervolledigen.

Dit was dan waarschijnlijk het plechtige ogenblik waarop de nieuwe heer van Horst in het dorp zijn intrede heeft gedaan. Volgens Poullet ging het er als volgt aan toe: Zoals vroeger een pastoor wordt ingehaald op onze buitendorpen, zo werd de heer ook ingehaald volgens een welbepaalde ritus. De vanen van de familieschilden werden ontplooid, Te Deum en Veni Creator werden aangeheven in de dorpskerk, de klokken luidden symbolisch het volk bijeen tot gemene dienst van de heer en gemeente, waarna, door het laten aanbonzen van de klopper tegen de kasteelpoort hij het meesterschap aannam over slot en leenmannen.

Doch het zou niet lang duren. De vrede werd te St-Pieters-Rode en in heel de streek verstoord.

Toen in 1482 Maria van Bourgondië gestorven was begonnen moeilijkheden te rijzen tussen Vlaanderen, Brabant en Maximiliaan van Oostenrijk, en toen de Vlaamse steden openlijk bekenden dat ze de Franse koning wilden toebehoren en daarbij aanstalten maakten om de Brabantse steden te overweldigen was het vuur aan de lont gestoken. Na een jaar intermezzo van koude oorlog en schermutselingen met de steden, waarin uiteindelijk ook Leuven de partij tegen Maximiliaan koos, kwam er een moeilijke tijd voor Lodewijk Pinnock: Hij wilde ten alle prijze trouwblijven aan Maximiliaan en daarom maakte bij stilaan Horst, zijn burcht, klaar om het hoofd te bieden aan de wisselvalligheden van de oorlog. Naar men toentertijd te Leuven zei verhuisde hij zelfs zijn meubelen uit Leuven naar Horst. Te Leuven werd hij aanzien als een verrader van de stad (Schepenreg. 1492). Een Leuvens burger had hem toegeroepen: “Siet wair die valsche verrader rijdende compt ".

Leuven, Tienen, Brussel, Nijvel, Zoutleeuw en Aarschot kozen partij tegen Maximiliaan, terwijl Mechelen, Lier en Vilvoorde voor hem in de kamp wilden komen.

Zo werd Horst bezet door de anti-Maximiliaan-troepen, die eveneens de kastelen rond Leuven, nl. Heverlee, Rivieren, Roost, Bierbeek, St-Agatha-Rode bezetten onder leiding van Chantrain, of alleszins op deze plaatsen garnizoenen legerden. Hoe ironisch het ook moge klinken: Horst, de burcht van Ladewijk Pinnock, trouw aanhanger van Maximiliaan, wordt tegen die Maximiliaan gebruikt.

Terwijl de hertog van Saksen in februari 1489 Aarschot belegerde ondernam een zijner luitenants, Jan van Schoonvorst, een aanval tegen Wezemaal bij dreef de mannen van Chantrain in de kerktoren en stak er vuur aan. Van daar trok Schoonvorst naar Horst, dat ingenomen werd. Naar de Aarschottenaren kwamen het kasteel van Horst ter hulp, te laat echter: de burcht was genomen. Op zijn beurt had Schoonvorst er zich in opgesloten en verschanst om de eventuele Aarschotse aanval af te slaan. Zo ver kwam het echter niet. Schoonvorst kon de val waarin bij zichzelf had opgesloten ongedeerd verlaten en stak het vuur aan de burcht, die totaal afbrandde, de toren uitgezonderd. Na Horst verbrand te hebben volgde de brand van Aarschot. Tienen werd door Duitse troepen genomen, de andere Brabantse steden ontsloten hun poorten. De oorlog was gedaan. Maximiliaan had de krachtmeting gewonnen, en de Leuvenaars haastten zich terug in het gevlei te komen van Lodewijk Pinnock die ze een paar maanden voordien als verrader hadden uitgejouwd.

Maximiliaan toonde zich een milde wreker: na een publieke boettocht van de Leuvense stadsmagistratuur en een geldboete werd de vrede hersteld, en Lodewijk Pinnock kreeg van Leuven 300 ponden van Arras om Horst, mooier dan ooit, uit de as te doen verrijzen.

Dit was echter een zware taak, want Horst herstellen en terug bemeubelen zou een fortuin kosten "...sijne goederen en uthoven verbrant, ende onder ander sijn slot ende hof vander Horst dwelck also castelic, schoone ende genueglic was als enich ander binnen deser voors. lande van Brabant…” (Rekenkamer reg.435, fol.76).

De zware wederopbouwkosten weerhielden Lodewijk Pinnock echter niet zijn heerlijkheid nog te vergroten. In 1491 koopt hij het dorp Kortrijk-Dutsel van de heer van Boutersem, op 15 januari: "Cortelke bij Rode ende Aerschot gelegen, mit meyer scepen ende laten, cueren, bruecken, opcomingen, vervallen renten, chijnsen ende alle andere toebehoirten.' (Rekenkamerreg. 555 fol.36) Dit was echter te diep in de geldzak getast. Lodewijk Pinnock kan niet over deze reusachtige lasten en gaat klagen bij Maximiliaan. Deze vergeet zijn trouwe volgeling niet en schenkt hem, bij akte van 11 mei 1491 te Neurenberg, een royaal leen de twee lenen van St-Pieters-Rode (Horst en Rode) plus Kortrijk. Voortaan zullen deze drie lenen slechts een leen uitmaken onder de naam: Nieuwer-Horst.

Pinnock en zijn opvolgers krijgen de hoge, middelste en lage rechtspraak over deze leen (zie bijlage).

De huidige vorm van het slot van Horst dateert uit die dagen van Lod. Pinnock, alhoewel de burcht 100 jaar later nog eens verwoest werd. Het spreekt vanzelf dat Pinnock er een zeer hoge levensvoet op nahield, en dat hij daarom langzaam maar zeker in de schulden geraakte. Daarom ging hij het geld halen waar het was: in de schatkist van de stad Leuven. Echter niet voor lang, in 1493 werd hem verboden zich voortaan nog te mengen in het financieel beheer der stad, waarschijnlijk omdat dit de stad te duur uitviel. Ondertussen was hij al geld gaan lenen bij de familie Winckaert, hem verwant. Deze schulden kon hij niet voldoen. Daarom volgde een proces van Iwan de Cortenbach, echtgenoot van Phil. Hinckaert en neef van Pinnock, tegen de Leuvense meyer. In 1499 moest Pinnock Horst verkopen aan Iwan de Cortenbach om zijn schulden te voldoen. Wanneer in 1504 op 3 mei Pinnock overleed, was hij zo arm geworden dat zijn zuster Catherina zijn begrafenis moest betalen.

De nieuwe eigenaar, Iwan de Cortenbach, was een zeer bekende neef van Lod. Pinnock. Immers, Lod. Pinnocks' moeder was Mar. de Cortenbach, overleden in 1457. Een van de Cortenbachs was de Grootmeester der Teutoonse orde in Aldebiesen. Iwan was getrouwd met Philippine Winckaert. Hij was meyer van Leuven en van het kwartier van Leuven. In 1513 werd hij hoofd van de hofhouding van Karel V, de latere keizer. Hij woonde te Leuven in "De Duyve", huis dat hij huurde van de familie van den Tymple voor 39 Rijnsgulden en 20 stuivers.

De koop van Horst door de Cortenbach werd definitief bij de betaling van de heerlijkheid in het jaar 1500 op 22 augustus. De aankoopprijs bedroeg 2000 Rijnsgulden.

Bedoeling van Yvan de Cortenbach was de burcht te kopen voor zijn vier kinderen, Ludovicus, Philip, Jakob en Maximiliaan. Yvan verkocht het weer in 1516 aan Nicolaas de Gondeval en Gertrudus van Vucht. De Cortenbach zelf stierf in 1520 te Mechelen en werd er begraven in de kerk van O.L.Vrouw over de Dijie. Nicolaes en Gertrudus van Gucht lieten in 1521 de heerlijkheid aan hun dochter Adriana Gondeval.

In 1532 trouwt deze Adriana met Egidius van Busleyden, voorzitter van het Brusselse Rekenhof, en wordt deze langs zijn vrouw eigenaar en heer van Horst. Met de Abdij van 't Park wordt een overeenkomst gesloten om, om beurt, vier schepenen met bun hofmeier of drie schepenen met hun beheerder aan te duiden tot het beheer van het dorp bestaande uit de twee heerlijkheden. Boonen in zijn Leuvense kronijk rapporteert dat in 1538 de Leuvense gilde van de Wandboog, St Sebastiaan naar St-Pieters-Rode kwam om er deel te nemen aan het landjuweel van de schutterij. Hetgeen er wel op wijst dat Horst groot aanzien had.

Egidius van Busleyden sterft echter reeds in 1536 en zijn vrouw in 1554. Deze laat de heerlijkheid na aan Frans van Busleyden.

Achtereenvolgens komt Horst bij vererving in bezit van Charles van Busleyden op 7 februari 1555. Margriet van der Stappen, moeder van Charles sterft in 1578 waarna Gilles van Busleyden het overneemt voor Charles junior en Antoon van Busleyden op 27 januari 1587.

De zilveren breuk van de St.Sebastiaangilde van Kortrijk-Dutsel vertoont het schild en het devies van Charles de Busleyden "Suivant la Fortune". Een ander devies op deze breuk, eveneens van de Busleyden, luidt "Omnia Tempus Habent" (Jubiieumparkmuseum Brussel F.2298)

Horst komt in 1605 terug onder de hamer, nadat het in 1587 door de geuzen werd verwoest (Boonen - Geschiedenis van Leuven) en de rentmeester aldaar werd vermoord, en wordt verkocht aan Olivier de Schoonhoven, de meestbiedende. Deze vindt de lasten, rustend op zijn goederen, ter kwijting van het benefice van het O.L.Vrouw altaar te St-Pieters-Rode, blijkbaar te zwaar en wil die, in samenwerking met de burgemeester, en diens zoon Octavius Lemmens, kapelaan te St-Pieters-Rode, afschaffen. De pastoor van St-Pieters-Rode wist daar een stokje voor te steken, evenals voor het voorstel een beneficie van Nieuwrode over te halen naar de Kasteelkapel van Horst. Door tussenkomst van de Mechelse aartsbisschop wordt de Schoonhoven gedwongen de bestaande toestand te eerbiedigen.

Klaarblijkelijk tot in 1650 blijft Horst in het bezit van de familie de Schoonhoven, die een tak was van de Leuvense patriciersfamilie de Rode. Wet slot ging wel over in handen van andere de Schoonhovens o.m. van Karel, broer van Olivier, in 1632, die zonder kinderen stierf in 1644, en daarna aan Jeanne, Elisabeth de Rivieren, weduwe van Karel.

In 1650 komt Horst vervolgens in handen van Maria, Anna van den Tympel, nicht van Elisabeth de Rivieren en weduwe van Albert, graaf van Muelert en Hautreppe die aan de burcht het huidige uitzicht zal geven door de opbouw van de door de oorlogen en opstanden fel vervallen gebouwen. Tevens kent Horst een der grootste en glansrijkste episoden uit zijn bestaan. In 1657 wordt de toegangspoort tot het kasteel gebouwd alsmede de nu nog bestaande bijgebouwen.

Zoals hierboven aangehaald begint het eeuwenlange heerschappij der familie Van den Tympel over de Heerlijkheid Horst met Marie Anne of Anne Marie Van den Tympel. Deze werd gedoopt te Leuven in de St.Michielskerk op 15 januari 1606, en was als erfgenaam van Charles d'Aerschot-Schoonhoven, echtgenote de Rivieren, vrouwe geworden van St-Pieters-Rode, Lubbeek, Nieuwrode, Kortrijk-Dutsel. Op 9 november 1650 werd de Heerlijkheid verheven.

Deze Marie Anne van den Tympel huwde met haar neef Albert Mulert, graaf van Mulert, Hautreppe en van het H. Keizerrijk. Hij was luitenant kapitein der boogschutters van het brussels hof, kamerjonker en lijfwacht van Aartshertog Leopold. Zijn vader en moeder waren Jan en Maria del Rio, terwijl hij de broer was van Wilhelminus Mulert, die op zijn beurt getrouwd was met Louis-Charles Van den Tympel.

Marie-Anne, gravin van Mulert, had een dochtertje gehad, Anna-Marie, die ze had aangeduid als erfgename. Maar daar het kind heel jong gestorven was had zij bij testament van 27.03.1658, haar neef aangesteld als universeel erfgenaam. Zij stierf op 22 augustus 1658.

Zo kwam het domein dus terecht bij een kind van Louis-Charles van den Tympel, echtgenoot van Wilhelmina Mulert. Dit kind droeg evenals zijn vader de naam van Louis-Charles. Hij erfde de titels van zijn tante. Op 7 september 1658 kwam St-Pieters-Rode in zijn bezit. Op dat ogenblik was bij 19 jaar. Op 28 november 1663 bundelde hij, in een eigenhandig geschreven testament, al de bezittingen samen tot majoraat dat, onverdeeld en onverdeelbaar, als familiegoed moest overgaan naar de tweede zoon van zijn zuster die getrouwd was met de Graaf van Wacken. Er is echter een voorwaarde aan de nalatenschap verbonden zijn erfgenaam - indien de tweede zoon stierf moest de derde erven, enz - moest de naam dragen Van den Tympel van Brabant, evenals het familiewapen. Indien er geen opvolgers waren - het testament werd gemaakt voor de kinderen geboren waren - of indien aan de voorwaarden geen gevolg werd gegeven, dan zou de erfenis ten goede komen aan een der zonen van de graaf van Grimbergen.

Alhoewel Louis Charles zo klaar en duidelijk zijn wil in een testament had neergeschreven, toch is daarvan wel weinig werkelijkheid geworden. Alle kinderen van zijn zuster, gravin van Wacken, stierven zeer jong. Uit een tweede huwelijk met Prins de Rubempre werd een dochtertje geboren die later huwen zou met graaf de Merode, doch deze laatste, erfgenaam geworden van het onmetelijk bezit der familie Van den Tympel, verwaarloosden de laatste wilsbeschikkingen van hun oom. In 1664, enkele dagen na zijn testament te hebben geschreven stierf Louis Charles Van den Tympel.

Daar de kinderen van Marie-Anna-Scholastica Van den Tympel de Brabant, gravin van Mulert & Wautreppe en het H. Keizerrijk, allemaal gestorven waren en er geen erfgenamen meer voorzien waren, erfde zij zelf de Heerlijkheid en werd vrouwe van St-Pieters-Rode, Nieuwrode, Kortrijk-Dutsel, Lubbeek op 19 juli 1668.

Op 12 augustus 1858 was zij in het huwelijk getreden met haar aanverwante Guillaume Charles, Francois de Bourgogne, graaf van Wacken, baron van Bouchout, zoon van graaf Charles de Bourgogne. Op 28 october 1667 overleed hij. Zijn weduwe, Marie-Anna-Scolastica hertrouwde met Philip Antoine Dominique Francois de Rubempre, baron van Everberg en Aubigny, burggraaf van Montenac, graaf van Vertaing, opperjachtmeester van Brabant. Om hem te begunstigen werd de baronie Everberg verheven tot prinsdom op 11 mei 1656. Prins de Rubempre werd lid van de orde van het Gulden Vlies op 13 januari 1700. Wij overleed op 15 mei 1707, werd begraven in de kerk van Everberg. Daar bevindt zich nu nog zijn graftombe.

Op haar beurt overleed prinses de Rubempre op 15 november 1713. Uit baar eerste huwelijk had ze vier zonen

1) Charles, François, Louis de Bourgogne
2) Philippe-Francois, Joseph de Bourgogne, later Van den Tympel de Brabant
3) Emmanuel-Francois-Joseph de Bourgogne
4) Eugene-Xavier-Benoit de Bourgogne.

Deze drie laatsten stierven zeer jong zonder nalatenschap, zodat de eerste, Charles Francois Louis de Bourgogne de Heerlijkheid St-Pieters-Rode erfde. Daar ook hij echter voortijdig stief, erfde zijn moeder die hem overleefde, terug de Heerlijkheid.

Uit haar huwelijk met Prins de Rubempre had Marie-Anna Scholastica Van den Tympel twee dochters:

1) Sabine, Claire, prinses de Rubempre en Everberg, gravin van Vertaing en op 27 november 1713 werd St-Pieters-Rode met aanhankelijkheden in het leenboek van Brabant verheven. Zij stierf echter reeds op 30 september 1715.

2) Louise-Brigitte, prinses de Rubempre on Everberg etc., kwam definitief in het bezit van St-Pieters-Rode en andere heerlijkheden op 11 februari 1721. Zij huwde een eerste maal met Fredericus Charles, graaf de Salm-Reifferscheid-Dijck, die echter overleed op 28 november 1721 zonder kinderen te hebben nagelaten.

Op 25 december 1724 hertrouwde Louise Brigitte met Philippe, graaf de Merode-Monfort, die geboren was in 1669. Door dit huwelijk wordt de Merode prins de Rubempre. Deze de Rubempre verbleef niet op Horst, doch liet zijn heerlijkheid beheren door rentmeesters die Horst bewoonden:

  • Lancelot Robrechts (1685 - overleden 1694 - gehuwd met El. Zegers - overleden 1710)

  • Jacobus Van Nethen (geb. ± 1690 - ovl. 22.04.1726)
    gehuwd met Barbara Van Schoubroeck (ovl. 29.05.1729)

  • Van den Schrieck … ?

Louise Brigitte overleed op 15 augustus 1730, de Merode stierf zelf op 24 maart 1742. Zij werden begraven te Everberg in de St. Hubertuskapel die ze hadden laten wederopbouwen.

Uit het huwelijk met de Merode werden twee kinderen geboren

1) Maximiliaan Leopold Ghislain, geboren op 17 april 1710
2) Sabien Maria Josephine Elisabeth, geboren te Brussel op 28 juni 1714, overleden op 22 februari 1773.

Maximiliaan Leopold Ghislain, graaf de Merode Monfort, heer van St-Pieters-Rode enz., huwde in Brussel met Catherine Dereman op 24 juni 1742. Maximiliaan stierf op 22 februari 1763, Catherine Dereman in 1778.

Uit dit huwelijk waren twee kinderen

1) Marie Catherine Joseph, gravin de Merode Monfort.
2) Honorine Catherine Joseph, geboren 20 december 1745, gestorven 29 maart 1759.

Marie Catherine Josephine huwde een eerste maal met Philippe, Maximiliaan, Werner, Mathias, graaf de Merode, markies van Westerlo. Hij stierf echter op 25 januari 1773, en zijn weduwe hertrouwde met Christ. Joseph Gregoire Emmanuel, graaf de Lannoy de la Matterie, die in 1822 als negentigjarige overleed. Maria Catherina Josephine zelf overleed te Brussel op 26 maart en werd te Everberg begraven.

Uit het eerste huwelijk met de Merode-Westerlo werden verscheidene kinderen geboren, waaraan de heerlijkheid St-Pieters-Rode tot 1789 bij erfenis toekwam.

Na de Franse revolutie vervielen de heerlijke rechten en geraakte de eens zo roemrijke burcht in verval. Zodat zij uiteindelijk nog diende als boerderij en parochiale meisjesschool (1875 - 1900). In 1851 woonden op Horst niet minder dan 6 landbouwersgezinnen met alles samen 27 kinderen:

Verhaeghen Gerard 8 kinderen
Van den Panhuyzen Jan 8 kinderen
Meurrens Pier 3 kinderen
Matthieu Gerard 5 kinderen
Janssens Jan Joseph 3 kinderen
Crab Guill. 2 kinderen

 

Home Inleiding Zoek Uw naam op in de grootste databank van het Hageland Welke gegevens hebben wij? Sint-Pieters-Rode Welke boeken hebben wij? Enkele volkstellingen uit het Hageland Nuttige links Contact