![]() |
![]() |
||
| Nieuwe
bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode
Deel IV
Zoals blijkt uit het voorgaande bestonden er te Rode, naast het pastoraat, nog andere geestelijke bedieningen, verbonden aan welbepaalde altaren of kapellen.
De kerk kende de kapel van O.L.Vrouw en de kapel van St.Sebastiaan. Deze laatste was de kapel der schuttersgilde - waarop in tijd van onraad of oorlog de heren van Horst beroep mochten doen om gewapenderhand de heerlijkheid te verdedigen. Op het kasteel zelf hadden we het altaar van St-Cornelius en Antonius.
De kapel van St.Sebastiaan had echter geen speciale bedienaar, daarvoor aangesteld, en ze had ook geen "bruidschat" om de geestelijke functies te betalen. De pastoor, veronderstellen we, deed dus bij tijd en wijle een mis voor de schuttersgilde.
Werd de pastoor rechtens voorgedragen aan de bisschop door de abdij van Park, de kapelaans van beide overige altaren werden dat niet. Park had over de kapelaans geen zeggingschap en stelde dus geen kandidaat-kapelaans voor. Dit was het voorrecht gebleven van de heren van Horst, blijkens menigvuldige vermeldingen uit dekanale bezoeken b.v. 1652 R.R.M. D.V.
Het gevolg van deze benoemingspolitiek was dat er geen continuïteit was in het uitoefenen dezer ambten: nu wordt er eens een kapittelkanunnik van Diest, dan weer een hoogstudent-advokaat-priester, dan weer een ander priester benoemd, zodat dienaangaande zeer weinig archiefstukken te vinden zijn. Daarbij komt nog dat deze heren wel de baten van zulke benoeming aanvaardden, maar het waarschijnlijk minder ernstig opnamen met de plichten aan hun benoeming verbonden: ze verbleven niet eens in de parochie, stelden een of ander arm priester aan om de missen te doen, of trokken zich er helemaal niets van aan. Zoals gezegd: meestendeels waren ze afwezig en streken enkel de winsten op.
We weten uit verslagen der dekens (1525) dat, voor het St. Antoniusaltaar op het kasteel, deze kapel opbracht 44 mudden spelt: dit is 4 maal zoveel als, in dezelfde tijd, het pastoraat te Houwaart en dubbel zoveel als het pastoraat te Nieuwrode.
De inhoud van de kapel-schat van O.L.Vrouwaltaar kennen we uit een handboek van een der kapelaans, Duremans, in 1602 onder St-Pieters-Rode:
1. 15 dagm. land te Schubbeek (na de revolutie verkocht
aan Aug. Borrens te Aarschot) Onder Bunsbeek had het O.L.Vrouwaltaar volgende goederen 1) Een bunder bempt aan de Rosmolen.
Zonder de stukken grond waarvan de oppervlakte niet weergegeven is komen we tot ongeveer 71 dagm. land, beemd en heide waarvan de kapelaan van het Maria-altaar de baten had. Volgens de deken van Leuven was de geldwaarde ervan ± 200 florijnen in 1631 (A.A.M. D.V.), in 1632: 300 florijnen. Daarvan moest hij de kapel voorzien van was, linnen, missaal, wijn, etc..., en indien er herstellingswerken op te knappen waren, moest de kapelaan die betalen. Dat de kapelaans soms op de vingers moesten getikt worden, blijkt uit het feit dat in 1631 de deken schrijft dat de kapelaan mis doet met een koperen kelk, waarop vanuit Mechelen dadelijk geantwoord wordt dat het zo niet mag blijven duren en de kelk minstens moet verzilverd worden. Zoniet wordt de kapelaan vervallen verklaard.
Tijdens de beroerde tijden van het begin XVII de eeuw deed een kapelaan dienst voor twee kapellen, en was hij tegelijkertijd koster en schoolmeester (dek. bezoek 1603).
Normaal waren er te Rode, naast de pastoor, nog minstens drie geestelijken of hun plaatsvervangers. Dat waren de kapelaans van de verschillende altaren, met name het Maria-altaar, het St.Antoniusaltaar, altaar op het kasteel, en de onderpastoor. Soms waren de kosters ook geestelijken.
Kapelaans van het Maria-altaar waren:
1368: Franca Uten Lieminge, kanunnik van Park (L.R.S.P. pag. 181)
1440: Peeter Boete. Dit blijkt uit een huurcedule der goederen voor schepenen van Leuven op 23 mei 1440.
1525: Adolphe Schrijns uit Mechelen. Afwezig zijnde, laat deze zich vervangen door Greg. Hougaerts. De telling van 1526 vermeldt dat het huis van de kapelaan van het O.L.Vrouwaltaar bewoond wordt door een leek (Rijksarchief)
1572: Joannes Berckmans (rekening van de kerk 1572)
1574: Walter Verstappen - Een van de twee voornoemden werd later pastoor te Gooik.
± 1599 : Joannes Dueremans. Deze verheft 3 percelen land gelegen te Bunsbeek tot beneficie van dit altaar. Dueremans liet een Manuale na, en werd door de abt van Park ook aangesteld als koster van de kerk van St-Pieters-Rode.
1615: Octavianus Lemmens. Hij was de zoon van de meyer van Horst, Henricus Lemmens, en verkreeg dit beneficie op zeer jeugdige leeftijd. Hij studeerde immers nog rechten te Leuven in het Collegium Winkeli, en was nog geen priester gewijd. Dit bracht wel moeilijkheden mee, want voorgeschreven was een dagelijkse mis aan het O.L.Vrouwaltaar, een verplichting die de begunstigde op zich moest nemen. Daarom richtte de kapelaan Lemmens een verzoekschrift tot de Mechelse Aartsbisschop, om hem te vragen, daar hij geen plaatsvervanger kon vinden voor St-Pieters-Rode, of hij die mis niet te Leuven of elders mocht laten lezen, eraan toevoegende, dat hij zich wel verbond ervoor te zorgen dat de vroegmis op zon- en feestdagen te St-Pieters-Rode zou worden gelezen door een plaatsvervanger. Maar de gemeente van Rode en de pastoor verzetten zich hiertegen: het werd een hard-tegen-hard van, enerzijds, de Heer van Horst, Olivier van Schoonhoven met zijn rentmeester, Hendrik Lemmens, tegen de pastoor en de gemeente anderzijds. Uiteindelijk moest Lemmens en Schoonhoven het lootje leggen: het Vicariaat te Mechelen besloot Lemmens te verplichten een priester te zoeken die te Rode, door hem betaald, dienst zou doen, zoniet zijn beneficie neer te leggen. De student-kapelaan zocht dus plaatsvervangers. Die vond hij in de persoon van (anno 1616) D. Samanus. Gedurende acht maanden deed die goede dienst. Hetzelfde jaar werd die opgevolgd door een zekere De Werdt. Er werd echter nogal licht omgesprongen met de verplichte dagelijkse mis: men beweerde dat de inkomsten te klein waren. Zodat nu eens 3 missen in de week, soms zelfs slechts een op twee weken werd gedaan.
1617: Carolus Andre wordt plaatsvervangend kapelaan in naam van O. Lemmens. Hij woonde, volgens pastoriearchief, in het dorp. Rond 1624 ontstonden er weer moeilijkheden omdat de student-kapelaan de misgewaden weigerde te verzorgen. Tot 1633 blijven de moeilijkheden duren.
1633: Beneficiant van het O.L.Vrouwaltaar is: Anthonius Van Gulbergen. Deze is pastoor te Wibre bij St-Truiden, maar laat trouw iedere dag te Rode een H. Mis opdragen, alsook op zon- en feestdagen. Een monnik van de abdij van Vlierbeek doet zijn dienst. Van Gulbergen geeft ook 100 missen 's jaars, op te dragen door de pastoor van Rode (Past. Arch.- Dek.Vis. 1656)
1666: Joannes Vranx wordt kapelaan en verblijft te Rode. Hij is een goed priester en de kerk geeft hem graag alle benodigdheden om aan zijn verplichtingen te beantwoorden.
1670: In dit jaar arriveert een rare vogel in Rode: Franciscus Persoons. Hij kwam dat jaar als kapelaan, maar vertrekt op St. Jans-avond en laat de pastoor alle profijten en rechten, maar ook plichten, van het O.L.Vrouwaltaar. Deze zocht helpers: hij vindt die, in de persoon van de kapelaan van het St. Antoniusaltaar op Horst, Haubracken.
In 1673 helpt Van Schijndel en Hilanies tot 1681. Beiden waren religieuzen van Park. In 1681 duikt echter Franciscus Persoons terug op, blijft in Rode wonen en doet goed zijn dienst, althans volgens pastoriearchief, hoewel de deken in zijn dekanaal verslag van 1701 schrijft: De hulpmislezer is niets waard (A.A.M.1701) Hij sterft in 1705, 2 oktober. Persoons werd in de kerk begraven.
1705: Jacobus Herremans wordt kapelaan. Deze was tegelijkertijd pastoor van Houwaart, later van Rillaar. Na zijn benoeming te Rillaar gaf hij de pastoor van Houwaart de opdracht hem te vervangen. Tussen Herremans en de pastoor van Rode waren er wel eens incidenten, zo bv. wou Herremans de pastoor beletten godsdienstonderricht te geven gedurende de vroegmis. De landdeken moest er tussen komen, en de plaatsvervangers van Herremans hielden zich koest. Een van die plaatsvervangers was Jean Charles Saublens, die, toen bij pastoor van Houwaart werd, geen pastorie vond maar een krocht waarin hij weigerde te verblijven. Hij zocht onderkomen op het kasteel van Horst gedurende enkele jaren, en liet de Abt van Park bij gerechtelijk vonnis verplichten tot het bouwen van een degelijke pastorie te Houwaart (Arch. Past. Rode)
1754: Het denombrement vermeldt de kapelaan E. H. Andriessens (Off. Fisc. du Brab. nr 377) Nadere gegevens omtrent deze kapelaan ontbreken.
1770: N. Ocreman wordt beneficiant van het O.L.Vrouwaltaar. Was deze Ocreman de broer van Catherine Ocreman, die in 1742 in het huwelijk trad met Maximiliaan, Leopold Ghislain, Graaf de Merode-Monfort ? Het vermoeden rust sterk, daar deze kapelaan veel meer te Brussel en te Leuven verbleef en tegelijkertijd de bestuurlijke zaken van St-Pieters-Rode kontroleerde. Deze Ocreman, meer administrateur dan priester, liet de kapelanie door verschillende priesters bedienen, onder andere door Peter Joannes de Raymacker, augustijn van het Convent te Leuven en geboortig van St-Pieters-Rode. Tot 1778 bleef de Raymacker een trouwe, goede mislezer in zijn geboortedorp. Dat jaar kwam een ander jong priester Ocreman, die te Leuven verbleef, vervangen. Het was Schabeau, geboortig van Namen en priester gewijd te Mechelen in sept. 1776. Schabeau maakte ook moeilijkheden, doch dit werd opgelost door een bisschoppelijke tussenkomst.
1795: J.B. Dosche wordt rector van de O.L.Vrouwkapel. Vermoedelijk is dit de laatste beneficant, omdat kort nadien de kerkelijke situaties door de franse revolutie grondig werden veranderd.
Vermelden we nog even dat, gezien de plicht dagelijks een H. Mis op te dragen te Rode, de beneficianten of hun plaatsvervangers genoopt waren hier te wonen. Zij woonden in het dorp, aan de kerk, tegen de straat naar Kortrijk, dus vermoedelijk in de dorpskom (Arch. Past.)
Kapelaans van het St. Antoniusaltaar
1525 Mag. Nicol. Cartenius vervangt Lib. Liberti, pastoor
van Houwaart Van de hand van de toenmalige kapelaan van de St-Antoon-kapel op het kasteel - die tevens deservitor was van het O.L.Vrouwaltaar, althans tijdelijk, bewaart het parochiearchief van Rode een inventaris van de beneficie goederen, toegekend aan de kasteel-kapelaan, anno 1750
1793 Gossaert
Matricularie (kosterij)
1525 Ourogge wordt vervangen door Henricus Preymans, daarna
door Lisnardi. Ourogge overleed 1552.
Naast de bediening van de twee altaren of kapellen zien we dus nog voorkomen te Rode, het matriculariaat - dat later gesplitst werd in de kosterij en het onderwijs, en vanaf 1682 weer omgevormd wordt tot Scholasterij: kosterschap en onderwijs, dit ingevolge wantoestanden van voor 1682.
De matricularis was in den beginne een klerk of geestelijke, belast met het bijhouden van de naamregisters der parochianen, de zorg voor de kerk, de armenzorg en het onderwijs te Rode. De eerste die we kennen was een zekere Daniel die in 1286 een huis en een hof schenkt aan de abt van Park. Hij wordt genoemd: Coster der Kercke van Rode.
Dit matriculaat is nog altijd belangrijk genoeg als prebende, het was 10 mudden spelt waard, evenveel als gans het pastoraat van Houwaart. Geleidelijk aan verloor het matriculariaat zijn primitieve betekenis. De pastoors zelf begonnen de registers te houden, de armenzorg ging naar de tafel van de H. Geest, zodat uiteindelijk de kosterij overbleef met eventueel het onderwijs (reg. der Beneficiën en kerken van de abdij van Park). Ook de dekanale rapporten spreken in die zin.
Soms lieten de rechthebbenden op het matriculariaat zich vervangen door een andere priester, zoals in 1525 Henr. Preymans vervangen wordt door Franc. Ourogge, maar het gebeurde ook wel dat de beneficiant beroep deed op een leek voor kerkdienst en onderwijs. De pastoor van Wespelaar in 1631 bezat het matriculariaat te Rode maar kon hier niet verblijven. Hij liet zich door een leek vervangen - een zekere Peten, die zijn taak verwaarloosde, en voor de kerk en voor de jeugd.
Vanaf 1682 was de leke-koster een geletterd man, Guill. Coremans, en in 1724 werd bij opgevolgd door een andere leek, Michael Demarsin. Zo zien we dat geleidelijk aan, de leke-koster een normaal verschijnsel wordt, Michael Demarsin wordt opgevolgd door zijn zoon Peter, voor 1754 alleszins, Peter door J.B. Demarsin.
Tot na de Franse revolutie bleef dit kosterschap en dit onderwijs in handen van de Demarsin-familie. Deze Demarsins gaven tegelijkertijd aan de Rodense jeugd een rudimentair onderwijs, op kosten van de Tafel van de H. Geest. Zeer onderlegd of bevoegd zullen ze wel niet geweest zijn, want nog in 1725 lezen we, op de kaft van een rituale van St. Hubertus deze tekst: "Als dat ik moet naar Aerschot gaen voor een exaemen te doen in jaer 1725 in de staets school den 6 april voor het leeren van kinders. J.B. Demarsin" Zo schakelden de Demarsin dan over naar het onderwijs.
We zijn zeker dat vanaf 1817 de kosterij toekwam aan een zekere Pieter Degreef, volgens rekeningen uit manuale Moreels. Pieter Degreef was de eerste koster-organist. Immers, in 1817, begin januari, had pastoor Moreels te Gent een orgel gekocht. Waarschijnlijk was dit een tweedehands-instrument, want de orgelbouwer, in zijn bestek, spreekt van te vernieuwen pijpen. De naam van deze orgelbouwer was Van Peteghem, wonende in de Drapstraat nr 19, te Gent. Het was Henricus Tullen van Scherpenheuvel, zijn zoon en Martinus Lindekens die de orgelkas terug in elkaar timmerden: daaraan werkten ze 45 dagen met 3 man. Het orgel was per schip naar Leuven - of Aarschot - gebracht en kostte 850 guldens. Op 1 oktober 1817 zette de eerste koster-organist zich voor de eerste keer aan het klavier. De Greef kreeg daarvoor een toelage op zijn jaarwedde in het begin van 25 gulden, later 36 gulden, som welke betaald werd, deels door de kerk, deels de gemeente en voor een derde deel door de arme. Omdat koster De Greef blijkbaar grotelijks te kort schoot aan zijn verplichtingen en de vaderlijke vermaningen van bisschop, pastoor noch kerkmeesters niet baatten, werd hij uit zijn functie ontzet, om terug over te gaan naar een Demarsin.
Tot voor de franse omwenteling werd de koster betaald door een tiendenrecht, dat hij bezat op de Rode Berg. Dit bracht, volgens het zeggen der boeren rond 1830, ongeveer 100 kronen op. Na de revolutie werd deze tiende door de staat afgeschaft en moest iets in de plaats worden gegeven 1) Hij had 35 gulden 10 stuivers voor de missen Het spreekt vanzelf dat deze regeling door de eeuwen heen werd veranderd en dat deze tarieven verschilden van parochie tot parochie. Verdiende de koster van Rode, voor zijn kosterij, wel voor zijn orgelspel, 71 gulden of 65 frank, die van St-Joris-Winge verdiende 14,50 frank, Kortrijk 25 frank, Nieuwrode: 45 frank en die van Holsbeek 72 frank (Arch. Past. Rode)
In 1837 komt de kosterij vervolgens toe aan Joseph Smets. De benoemingsbrief daarvan, berustend op de pastorie, bevat verscheidene elementen die de historiek van deze functie en de inhoud ervan omschrijven (Manuale van Moreels) Littera institutionis Custodis. Tot en met 1858 bleef deze Smets koster te Rode.
Na hem kwamen in functie |