Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van Sint-Pieters-Rode

Deel II
De kerkelijke geschiedenis van Sint-Pieters-Rode

Is de burgerlijke geschiedenis van St-Pieters-Rode, langs de families van Rode, Pinnock, Schoonvorst en Van den Tymple, zeer sterk verbonden met het wel en wee den aloude stede van Leuven, de kerkelijke historie van de parochie is dit evenzeer. De banden die St.Pieter van Rode en St.Pieter van Leuven verbinden, ditmaal langs het kapittel van Parkabdij, zijn hecht en eeuwenoud.

Het is inderdaad geen toeval dat beide plaatsen een zelfde schutsheilige of patroon vereren. De parochie van Rode kreeg de zijne ten geschenke van Leuven op een voorwaarde dat in ruil daarvan de opbrengst der parochie van Rode - het beneficiën - ten deel zou vallen aan de Leuvense kanunnik die het altaar van St.Pieter te Leuven bediende. De Rode-namen in de streek zijn zeer talrijk Nieuwrode - Gelrode - Gobbelsrode enz. Het kwam er dus op aan dit Rode te onderscheiden van de andere Rode's, zodat het uiteindelijk werd "het Rode dat toebehoort aan St.Pietersaltaar te Leuven".

Onze bepaling van Rode moet dan vast en zeker gebeurd zijn voor 1265, want toen kwam de parochie definitief en volledig in handen der Parkabdij. Waaruit wij mogen besluiten dat de naam St-Pieters-Rode minstens uit begin 13de, zoniet 12de eeuw dateert. Dit is geen veronderstelling, het wordt bevestigd door meerdere stukken uit het archief van de abdij van Park.

Een eerste stuk vermeldt het volgende (A.P./R VII 51) "…Niet lang daarna (1140) heeft de goede hertog de kerk van Rode aan het kapittel van Leuven gegeven". Ziehier hoe dit gebeurd is: voortijds was de bezitter van deze kerk de oude kanunnik Boso. Maar daar hij door meerdere mensen lastig gevallen werd die hem vroegen of zij zijn opvolger zouden mogen zijn, en er anderzijds ook een hele reeks waren die, hem negerend, rechtstreeks aan de hertog vroegen in 't bezit te komen van zo'n belangrijke prebende, hebben zij beiden, en Boso en de hertog, dit geweigerd. Totdat het Boso behaagde zijn prebende in handen van de hertog te geven, met het verzoek de kerk van Rode en haar bezit te geven aan het altaar van St. Pieter te Leuven. Uit deze akte blijkt klaar en duidelijk dat Rode reeds in 1140 een belangrijke parochie was, de moeite waard om er een speciaal document voor te schrijven, en - voor de Leuvense kapittelkerk - de moeite waard om aan te nemen. Deze Leuvense kapittelkerk werd terug opgericht door Lambert, graaf van Leuven, rond 1040, samen met St. Goedele van Brussel. De kanunnikengemeenschap in elk kapittel moest leven van verscheidene bezittingen die hun door menig groot heer geschonken werden. Zo was Rode een schenking van Boso - langs hertog Godfried met de Baard om - aan de Leuvense kapittelkerk. In de marge van het te Rode berustend stuk staat, betreffende deze eerste gekende pastoor van Rode, een zeer verbazende nota, nl. het volgende: "Genoemde Boso werd later kardinaal-priester van Prudentiana…” Als dit niet waar is, dan is het toch vleiend voor St-Pieters-Rode en zijn we bereid het korreltje zout op de koop toe te nemen.

Een tweede aanduiding omtrent het bezit door St. Pieter-Leuven van de parochie St-Pieters-Rode vinden we eveneens in volgend stuk (A.P./R VIl, 51): brief van Kanunnik Walter de Blaer aan de Luikse aartsdiaken in Brabant, waarin hij zich akkoord verklaart met het feit dat de abdij van Park alle rechten heeft verworven in de parochie St-Pieters-Rode. In deze brief verklaart de Leuvense kapittelkanunnik woordelijk "Ik laat u weten dat ik totaal vrij en onvoorwaardelijk afzie van elk recht dat ik bezat op de kerk van St-Pieters-Rode, ten voordele van de abt van Park die, naar u weet, dit recht onlangs heeft verworven...” Deze brief aan de aartsdiaken van het bisdom Luik, aangesteld over Brabant, dateert van 1320.

Toch is deze Leuvense kapittelkanunnik pastoor gebleven te St-Pieters-Rode alleszins tot 1250, want er is een archiefstuk (A.P./R VII,51) waaruit blijkt dat hij toen nog als pastoor van Rode optrad als getuige voor Goswin van Rode die het door zijn ouders gestichte jaargetijde (1227) bevestigt en uitbreidt.

Nu kunnen we ons wel de vraag stellen, hoe het mogelijk was tegelijkertijd pastoor en kapittelkanunnik te zijn, terwijl voor de ene functie de standplaats St-Pieters-Rode, voor het andere Leuven was. Dit is echter geen uitzondering in die tijd, toen meerdere ambten gecumuleerd werden en men iemand anders aanstelde - en slecht betaalde - om het werk te doen. Uit deze teksten komt klaar naar voren dat ook deze kapittelheren-pastoors niet te Rode resideerden, maar een plaatsvervanger hadden aangesteld. Daarover zullen we later wel even uitweiden, want dit bracht ook in de streek moeilijkheden mee. Hoe heeft nu de abdij van Park, naar het schrijven van de Leuvense kanunnik, de rechten over de Rodense kerk verworven ?

Dit ging in twee etappes, om de goede reden dat er twee grondheren waren te St-Pieters-Rode die elk voor de helft zeggenschap hadden over het tienden- en het patronaatsrecht der kerk. Vanwaar deze rechten over een kerk in handen van leken ?

Dit kwam voort uit het feit dat de heer-grootgrondbezitter, bekommerd om het geestelijk welzijn van zijn horigen en eigen familie - op zijn goederen veelal een kerk had laten bouwen, op zijn kosten, en deze begiftigd had met enkele goederen waarvan de pastoor moest kunnen leven.

Voor Rode waren er twee grondheren die een kerk hadden laten bouwen en haar bestaansmogelijkheden boden in de vorm van een "kerkschat" tienden. Hadden de leken de kerk gebouwd en betaald, dan achtten zij het ook maar billijk dat zij de pastoor in hun kerk mochten kiezen en laten benoemen, Dat is het patronaatsrecht waarover we het hieronder zullen hebben.

Dit tienden- en patronaatsrecht werd in den beginne geschonken aan een levende persoon, dat zagen we bv. in het geval van Boso, de eerste gekende Rodense pastoor, die persoonlijk drager was van zijn recht. Later kwam echter de gewoonte in voege, dat tienden en patronaatsrecht ook te schenken, niet aan levende, welbepaalde en sterfelijke persoon, maar aan een instelling, bv. een abdij. Deze abdij was dan de pastor primitivus - de eerste pastoor - die een monnik aanstelde als gedelegeerd pastoor, afgevaardigd tot het uitoefenen van de eredienst ter plaatse en de belangen van de "pastor primitivus' te behartigen.

Zo werd de abdij van Park-Heverlee pastor primitivus van St-Pieters-Rode. Dit ging echter niet zonder slag of stoot, temeer daar er rekening moest worden gehouden met twee rechthebbende grondheren. Uiteindelijk is alles best voor elkaar gekomen voor Park, hoewel het ruim honderd jaar heeft geduurd vooraleer de slag volkomen was thuisgehaald.

De eerste heer van St-Pieters-Rode die zijn rechten over de kerk, tienden en patronaat, wegschonk aan de abdij was Rutger van Linden. Dit gebeurde in 1151. Samen met de helft van het benoemingsrecht en tienden van Rode schonk hij ook de helft dezelfde rechten over de kerk van Houwaart aan de Leuvense Park-Abdij tot heil en zegen van zijn eigen ziel en die zijner familieleden. Rutger van Linden had deze rechten reeds geërfd van zijn voorouders. Dit noopt ons ertoe te besluiten dat, lang voor 1151, de kerk van St-Pieters-Rode bestond.

Een recente archeologische vondst bevestigt dit besluit. In de muur van een oude mestput bij het oude huis van voormalig koster Louis Heroes is een wondergoed bewaard fragment gevonden van een Romaanse arduinen doopvont. Deze muur was samengesteld uit afbraakpuin. Het fragment bestaat uit een Romaans ridderhoofd met bladmotieven en dateert zeker voor de 10 de eeuw. Dit, samen met de vele Frankische toponiemen en structuren, doet ons in alle rust aannemen dat Rode van Karolingische oorsprong is.

Het zou echter nog een hele tijd duren voor de tweede helft der rechten over de kerk, berustend in de handen van de grondheren van Horst, aan de abdij vervielen.

Wellicht zou dat nooit het geval zijn geweest indien niet het derde concilie van Lateranen onder Paus Alexander III, in 1179, een beslissende stoot had gegeven.

Het heet wel in de schenkingsakte van 1227 door Arnold van Rode van de tweede helft van patronaat- en tiendenrecht, dat Arnold deze rechten afstond voor zijn zielenheil en dat van zijn familie, we weten echter dat zeer vele edelen het vuur aan de schenen moest gelegd worden vooraleer ze deze zo winstgevende verworvenheden afstonden. In het kapittel nopens St-Pieters-Rode in het "Varia pastoratuum" uit het Park-Archief, vinden we bij deze schenking - veelbetekenend - de volgende beslissingen van het Lateraans concilie

1) Om cumulatie van pastoorsambten te voorkomen, alsmede het geschacher en de schraapzucht, zal de pastoor voortaan slechts één parochie mogen hebben.

2) de leken die benoemingsrecht hebben over parochies zijn verplicht dit af te staan aan de bisschop, omdat voortaan alleen de bisschop benoemt. De leken die daartoe niet bereid bevonden zal de communie geweigerd worden, indien ze volhouden zullen ze de banbliksem oplopen en uiteindelijk zal hun de kristelijke begrafenis worden geweigerd.

Het abdijarchief van Park beweert woordelijk dat ingevolge deze besluiten Arnoldus de Rode gedwongen werd afstand te doen van zijn rechten. Eveneens volgens het Park-archief zijn deze beide artikelen van Lateranen oorzaak van het afsplitsen van vier kerken van de Rodense moederkerk. Deze vier kerken - of beter gezegd: capellen - waren: Kortrijk-Dutsel, Houwaart, Nieuwrode en St-Joris-Winge. De sporen daarvan vinden we trouwens nog in de 17 de eeuw: de kerk van Rode was een ecclesia integra, terwijl de vier andere capellen quartæ capellæ waren. Dit wil zeggen dat de moederkerk Rode de volle belasting aan de bisschop moest betalen (cathedraticum) en de andere slechts een vierde. Anderzijds echter was de volledige kerk zelfstandiger dan de capellen. Zij moest bv. geen belasting betalen aan de aartsdiaken ter gelegenheid van het kerkvisiet terwijl de capellen daartoe wel verplicht wanen. Sterker nog: de pastoor van de moederkerk moest soms de deken of aartsdiaken vervangen voor kerkvisiet in de capellen. Zo vinden we in het archief van het aartsbisdom Mechelen (D.V. I, in 1598, dat de pastoor van St-Pieters-Rode kerkvisiet doet te Kortrijk-Dutsel in plaats van de deken.

Dit afsplitsen van de Rodense kerk door de vier hoger genoemde kerken of kapellen geschiedde geleidelijk aan. De tijdelijke heren schenken hun geestelijke rechten voor het merendeel aan geestelijke instellingen.

In 1236 gaf Henricus, heer van Boutersem, zijn patronaatsrecht over Kortrijk aan de kloostergemeenschap van Gemp.

In 1239 schonk Hendrik II, hertog van Brabant, de zijne over Nieuwrode eveneens aan het klooster van 's Hertogen Eiland, Gemp.

In 1241 werd het patronaatsrecht van Winge eveneens aan Gemp gegeven door de abt van Inde (bij Aken), terwijl op een onbekende datum - alleszins na 1151, cfr de Linden - het kapittel van St. Jan van Luik Houwaart verwierf. Zo werden de parochies tenslotte totaal zelfstandig. Vermelden we nog dat in 1222, Arnoldus van Rode het met Park op een koopje had menen te gooien. Toen verpandde hij zijn rechten over de kerk voor negen jaar, voor de som van 190 Leuvense ponden. Deze verpanding werd definitief in 1227 tot eigen recht van Park omgevormd. In een afzonderlijk hoofdstuk zullen we nagaan welke juist de inhoud was van het tiendenrecht en het patronaatsrecht te Rode.

Had de abdij van Park in Rode de tienden en het patronaat vanaf 1227, toch heeft het in feite tot 1265 geduurd vooraleer de abdij één harer heren te Rode tot pastoor aanstelde.

Zoals we zagen was gedurende het interim van een kleine veertig jaar, 1227 - 1265, het patronaat nog in handen van een kanunnik van de Leuvense St. Pieterskerk.

In een bijlokaal van de kerk van St-Pieters-Rode hangt een 18 de eeuws geschilderd paneel, waarop de sinds 1265 benoemde pastoors van Park - en later ook de andere bijgeschilderd -, vernoemd staan. Elk van deze pastoors had, naar Rodense traditie, een schild. Hoewel we twijfelen aan de heraldische waarde van deze schilden, toch heeft dit paneel voor de parochie een grote waarde, al was het maar om een overzichtelijk beeld op te roepen van de ononderbroken, duizendjarige reeks priesters die hier voor het volk gewerkt hebben, in de letterlijke zin van het woord soms in de wijngaard des Heren. Want Rode kende een intensieve wijnbouw.

Keren we terug naar Arnoldus de Rode, die in 1227 zijn rechten afstond. Al had deze zich noodgedwongen en schoorvoetend bij de Lateraanse besluiten neergelegd, toch was uit dit mandement voor zijn familie enig nut te halen geweest. Hij had van de nood een deugd gemaakt en dan maar als eerste Park-pastoor laten benoemen: Hennicus de Rode.

Deze Henricus de Rode was, volgens een 17 de eeuws handschrift, berustend op de pastorie van Rode, een zoon van Arnoldus de Rode. Zo staat er inderdaad letterlijk geschreven (Manuale Pastoor Smets)

"De eerste pastorie, als de heren van Parck tot Rhode sijn gekomen, heeft gestaen aan de kerck alwaert nu staet Den Blinden Esel, maar en is door den eersten pastoor die van Parck gekomen is niet bewoond geweest, midts dien genoemt sijnde Henricus de Rode, gewoont heeft met sijn broeder Goswino de Rode die daer ter tijdt heere van Horst was. Anno omtrent 1300 heeft Parck eene nieuwe pastorije gebouwt…”

Dit bevestigt enerzijds de stelling dat er voor de Park-heren reeds pastoors te Rode zijn geweest, en dat Henricus de broer was van Goswin, heer van Horst. De huidige pastorie is dus niet het eerste woonhuis der pastoors geweest: dit stond in het dorp, naast het kerkhof, in de richting van Holsbeek. Het feit dat Henricus de Rode hier als zoon van de heer van Horst pastoor werd heeft ons geenszins te verwonderen. Integendeel, het lag geheel in de gewoonten van die tijd dat adellijke geestelijken door hun familie ergens in een vette parochie geparachuteerd werden. Zaken zijn nu eenmaal zaken. Trouwens, nagenoeg alle Rodense pastoors, tot 1400 waren, zoniet van adel, dan toch van goeden huize en voornamelijk uit de grote Leuvense geslachten, zoals we terloops zullen vermelden. Eigenaardig mag het echter wel heten dat geen enkel schild van die eerste 13de en 14de eeuwse pastoors, voorkomend op het paneel van St-Pieters-Rode, overeenstemt met de door Divaeus in zijn “De Septem Tnibus” afgebeelde schilden der Leuvense families, daar waar in het necrologium van Park herhaaldelijk naast de betreffende pastoors vermeld staat dat ze uit de geslachten waren.

Henricus de Rode werd dus pastoor in 1265, en bleef dit tot in 1289. Het is gedurende het pastoraat van Henricus dat in 1285 abt Willem van Lubbeck voor de abdij van Park gans de heerlijkheid van Rode koopt, met alle goederen en rechten daaraan verbonden, van Joannes de Molenbeke.

Tot in 1666 zal de abt van Park naast de geestelijke, ook de tijdelijke rechten van Rode beheren. Deze “tijdelijke rechten” hielden bv. in dat de abdij bij haar goederen en schuren lijfeigenen bezat, mensen die aan de grond gebonden waren, die met de grond konden worden verkocht en die toelating moesten vragen om bv. te trouwen, iets te kopen... en als ze stierven erfde ook de grondheer een deel.

In 1289, op 14 juni, overleed Henricus de Rode, de eerste præmonstratenzer pastoor, en werd datzelfde jaar opgevolgd door Ziger de Vinckenbosch. Gedurende zijn pastoorschap vertoefden er meerdere kloosterlingen van park te Rode, want in 1301 werden door de abdij van park verscheidene goederen aangekocht tot levensonderhoud van de te Rode verblijvende gemeenschap. Deze goederen waren de Bruul, de Bist en weiden te Berg (nu Kortnijk-Dutsel). De beide eerst genoemde goederen bevinden zich onmiddellijk links en rechts van de huidige pastorie, hetgeen erop wijst dat Park zich een blok eigendom aan het vormen was waarop later een pastorie zou kunnen gebouwd worden. Deze goederen werden verkocht aan Park door de Hertog van Brabant. In 1301 eveneens verwierf de pastoor het visrecht op de vijver Ter Eeckt en Ten Poel, voor een jaarlijkse cijns van 2 den. Lov. (L.R.S.P. de Nommeli Boni) In 1303 verkocht de pastoor zijn brouwrecht van de inmiddels in de oude pastorie opgerichte brouwerij (ibid.)

Siger de Vinckenbosch blijft te Rode pastoor tot 1306. Hij was meester in de kunsten. Dit was, naast zijn vroomheid, een der redenen waarom bij in 1306 verkozen werd tot 15 de abt van de Park Abdij. Hij bleef dit gedurende ruim 8 jaar, tot bij stierf in 1314. In het Chronicon Masii van de Park Abdij lezen we: Erot vir pietate et doctrina celebris'. Hij werd te Park begraven in het midden van de kapittelzaal. Na zijn verkiezing tot Abt werd Ziger opgevolgd te Rode in 1306 door Jan van Mechelen. Deze moet bejaard zijn geweest toen hij te Rode pastoor werd, vermits hij te Lubbeek reeds pastoor was in 1279. Ook onder het pastoraat van Jan van Mechelen werden de goederen uitgebreid. Het is voornamelijk onder het pastoraat van Jan van Mechelen dat de Heren van Horst moreel en financieel ten onder gingen. Deze pastoor overleed in 1315, en had als opvolger: Henricus de Vura (Hendrik van Tervuren) Over deze pastoor weten we helemaal niets, tenzij dat hij overleed op 9 dec. 1336.

Nog datzelfde jaar krijgt Rode een nieuwe pastoor in de persoon van Joannes de Cortbeca (Jan van Korbeek) Deze Joannes de Cortbeca kwam op een mooie - zij het ongewone - manier aan zijn einde. In 1350 was het Heilig Jaar afgekondigd, waarop de pelgrims die naar Rome togen om te bidden op het graf der apostelen, rijke geestelijke gaven konden vergaren. Ook deze pastoor trok op bedevaart. Hij zag echter zijn parochie nooit meer terug, want bij overleed op de thuisreis op 26 oktober. Volgens een notitie van het necrologium van de abdij van Park behoorde deze Joannes de Cortbeca tot de Leuvense patriciersfamilie van dezelfde naam, en vermeld door Divaeus. Dit verklaart misschien wel het ongewone feit dat een gewoon pastoor de voor die tijd afschrikwekkende en dure pelgrimstocht kon ondernemen.

Rode krijgt in 1350 dus een nieuwe pastoor. Het was Arnoldus de Rotselaar (de Rotselaer - de Roechselaar) Het paneel met de pastoorsschilden te Rode vermeldt zijn dood op 22 juli 1358.

In 1358 werd hij opgevolgd door een pastoor, telg uit het geslacht de Overbeca: nl. Henricus de Overbeeck de Wespelaar. Deze was gedurende tien jaar pastoor in Rode toen hij in 1368 tot abt gekozen werd. Op naam van zijn broer, Nicolaas, had deze abt de goederen der abdij te Blanden uitgebreid met de zeer belangrijke herenhoeve aldaar. De overvloedige vergoeding die hij voorzag voor alle priesters der abdij die zouden een mis opdragen op zijn jaargetijde getuigen van de rijkdom dezer familie (voor het jaargetijde, 15 hollandse florijnen te verdelen onder de priesters en de zwaar zieken) Deze laatste toegeving getuigt alleszins van diepmenselijkheid: hij vergat de zieken niet. Abt Henricus de Overbeeck overleed te Park op 8 maart 1391: hij werd begraven in het koor der kerk. In 1368 moest hij echter als pastoor opgevolgd worden te Rode.

Dit gebeurde toen Hendrik Wittemans werd aangesteld. Hij werd in het necrologium van Park ook genoemd Henri Meester Peeters. Deze Wittemans legde te Park zijn geloften af rond 1355, werd er in 1357 priester gewijd en werd pastoor te Rode in 1368. Volgens het parochiearchief overleed hij op 2 oktober 1386.

Simon de Fonto - alias Van den Borne - volgde hem op. Van hem weten wij dat hij in de abdij nog een broer-priester had die later pastoor van Celles werd. Simon deed eeuwige geloften in 1365, werd priester in 1369 en te Rode pastoor in 1385, waar bij ook stierf op 04.05.1393

In de daarop volgende vacatuur werd voorzien door de pastoorsbenoeming van Joannes a Campo of Jan Van de Velde, die eveneens, 28 jaar later, te Rode zal sterven, maar dan onder het mes van de Heer van Horst, Amelrijk Pinnock en zijn zoon Ludovicus. We hoeven ons niet te verwonderen over de brutaliteit der heren te dien tijde en zeker niet over die van de Pinnock-verwanten. Lezen we niet dat, een vijftigtal jaren na de moord op Jan Van de Velde, een ander lid van de Pinnock-familie, nl. de fameuze Willem de la Marck, heer van Arenberg, en zelfs niet voor terugdeinsde de bisschop van Luik, Louis de Bourbon, af te slachten met het zwaard op 30 aug. 1482 (Laenen)

Na de jammerlijke dood van Jan Van de Velde in 1424 werd te Rode als pastoor aangesteld: Arnoldus Tilen. Deze kon het klaarblijkelijk na het droevig gebeuren met zijn voorganger niet uithouden te Rode, want hij vertrok in 1430 reeds naar Werchter, om daar een veiliger pastoraat uit te oefenen.

Hij wordt opgevolgd door Joannes Hospitis of Jan Van de Weerdt. Heeft ook deze pastoor moeilijkheden gekend ? We zien immers dat hij nog wel rechtens pastoor was te Rode in 1458, maar dat er ondertussen toch een andere zijn functie uitoefende. Het paneel met de schilden der pastoors te Rode vermeldt zijn dood in 1458, terwijl hij te Park nog als pastoor opgetekend staat in 1462: misschien wordt hij in zijn ere-functie alzo genoemd, zodat we kunnen aannemen dat hij ontslag gaf in 1458.

In 1458 wordt hij opqevolgd door Jacobus Trijt. Deze werd in 1488 aalmoezenmeester van de abdij van Park, waar hij hetzelfde jaar stierf.

Het is onder deze twee pastoors dat het pastoraat te Rode beklemmend moeilijk moet geweest zijn, omwille van het feit dat de bisschop van Kamerijk, Jan van Burgondie, de heerlijkheid Horst had gekocht voor zijn bastaardkinderen: het kan niet anders of deze wantoestanden moeten een diepe invloed hebben gehad op de mentalitiet van het dorpsvolk, dat alzo wantrouwig begon te staan tegenover het kerkelijk gezag. Deze feiten, samen met het feit dat een zeer groot deel der gronden cijnsgebonden waren aan talloze godsdienstige instellingen, zijn ongetwijfeld de oorzaak van de troebelen te Rode gedurende de naderende 16 de eeuw. Dit trouwens niet alleen bij ons, maar over gans Vlaanderen, Duitsland, Holland en Frankriik.

Uit de tijd van pastoor Trijt bezit de abdij een archiefstuk afkomstig van het bisdom Luik - dat de bezittingen en de altaren te Rode specifieert tussen 1457-1462. Het vermeldt het bestaan in het kasteel van een altaar, toegewijd aan St. Cornelius en St. Antonius.

Jacobus Trijt deed zijn geloften in de abdij in 1446 en werd priester gewijd in 1448. Na zijn dood in 1488 werd hij opgevolgd door Willem Elsdonck. Het necrologium van Park vermeldt Elsdonck niet. We weten enkel dat hij tot 1517 pastoor te Rode was.

In 1517 wordt als pastoor aangesteld Richard Borchgrave uit 's Hertogenbosch. Deze bleef hier - althans volgens Park - pastoor tot 1523, jaar waarin hij wordt overgeplaatst naar Korbeek-Lo. Ook daar bleef hij waarschijnlijk niet: in 1531 wordt hij aalmoezenmeester der abdij. Hij overleed - volgens parochiearchief - als pastoor van Korbeek-Lo in 1537, na tot 1532 pastoor van Rode geweest te zijn. Volgens het abdijarchief ditzelfde jaar, maar dan als aalmoezenmeester. Voegen we er onmiddellijk aan toe dat we geneigd zijn hier het parochiearchief als onjuist te beschouwen.

Hier vinden we dan als opvolger - althans volgens Parkarchief en necrologium - een pastoor die niet vermeld staat op het schildenpaneel der pastoors van Rode, nl. Georges van Beringen. Volgens het necrologium van de abdij van Park was hij pastoor te St-Pieters-Rode gedurende twee jaar: tot 1525, jaar van zijn overlijden. In 1492 vinden we Georges van Beringen echter terug als pastoor van Kortrijk-Dutsel. Mogen wij veronderstellen dat deze, bij de vakatuur in 1523, de parochie Rode eveneens heeft bediend, samen met Kortrijk.

Georges van Beringen was een telg uit de Leuvense geslachten : zijn moeder was Elisabeth Uytter Hellicht, genoemd van den Elsbroeck, zijn vader Jan Van Beringen, uit Werchter. Hij was een verre verwant van Abt Wouter Van Beringen van de Abdij van Park.

Na dit twijfelachtig intermezzo omtrent de opvolging te Rode wordt Nikolaas Martini van Balen bij Turnhout, alias Nicolaas Mertens de nieuwe pastoor. Volgens het Rodense schildenpaneel was dat in 1532. We hebben echter alle reden om aan te nemen dat Nikolaas Martini reeds in 1525 pastoor werd als onmiddellijke opvolger van Georges Van Beringen. Hij staat immers in een dekanaal verslag over Rode van 1525 vermeld als pastoor aldaar. Het besluit dringt zich bijgevolg op dat een bekend stuk als dit Rodense pastoors-tableau toch niet onfeilbaar is.

Hogergenoemd dekanaal verslag vermeldt - en dit schijnt wel een uitzondering geweest te zijn in die tijd- dat Nikolaas Martini (Mertens) te Rode zelf verbleef. Hij deed echter niet zelf de dienst van pastoor, want hij liet zich vervangen door Thomas Baten uit Turnbout. Dit bracht hem, met de dagelijkse missen, 60 mudden spelt op 's jaars. Nikolaas Mertens was geboortig van Balen en priester gewijd in 1506. Hij was in de abdij sub-prior. Dit dekanaal verslag vermeldt eveneens, naast de bediening van het hoofdaltaar, de andere geestelijken die te Rode een functie hadden, voornamelijk als bedienaars der kapellen en der kosterij, die in die tijd een vette kluif schijnt geweest te zijn.

Naast het hoofdaltaar hadden we de bediening van het O.L.Vrouwaltaar. Dit beneficie was in handen van Odolphus Scrijns uit Mechelen. Deze verbleef echter niet in de parochie maar liet zijn werk doen (een dagelijkse mis) door Gregorius Hougaert. Dit beneficie bedroeg 44 mudden spelt per jaar.

In het kasteel van Horst, waarvan we reeds zagen dat er rond 1450 reeds een kapel was, toegewijd aan St. Corneel en Antoon, was een beneficium gevestigd. Kapelaan aldaar was Nicolaas Costerius. Hij verbleef er niet maar werd vervangen door de pastoor van Houwaart, Libertes Liberti, die er drie missen per week moest opdragen. Het beneficie bestond uit 20 mudden koren.

Naast deze priesterlijke funkties bestond er - toentertijd veelal klerikaalambt van koster: de kosterij was eveneens voorwerp van een beneficie- of prebenderecht. De eerstgekende koster - we schrijven 1286 - was een zekere Daniel, die een huis schenkt aan de abdij van Park. In 1525 was hier koster Henricus Progmans. Deze verbleef niet te St-Pieters-Rode. In zijn plaats werkte een lagere clericus, voor 10 mudden spelt 's jaars.

Een vergelijkende studie van archiefstukken over dekenale rekenschap uit hetzelfde jaar 1525 is wel interessant om het belang der Rodense parochie te onderkennen.

Waarde van het beneficie:

  • Sint-Pieters-Rode 60 mudden spelt
  • Houwaart 10 mudden spelt
  • Nieuwrode 20 mudden spelt
  • Kortrijk 27 gulden

Wellicht is het goed hier even onze aandacht te vestigen op de inhoudsmaten om ons een idee te vormen van de bezoldigingen van de clerus. De Leuvense mudde, schepel, spaat of huster is gelijkwaardig met ongeveer 35 liter.

Wat betreft het kosterschap of het matricularie dient er nog op gewezen dat, veelal op de buiten, aan dit ambt de plicht verbonden was de dienst in de kerk te verzorgen en de jeugd te onderwijzen.

Over dit onderwijs hebben we het in een volgend hoofdstukje.

Pastoor Nikolaas Mertens overleed te Rode in 1536 en werd opgevolgd door Judocus Boever. Deze stierf, volgens het plaatselijk archief op 7.10.1536. Volgens Park echter ging hij te Rode weg in 1538 om pastoor te worden van Celles. Volgens het Necrologium overleed Judocus Boijen 08.09.1552.

Theodorius Loots is zijn opvolger hij kwam uit Celles waar hij tot 1536 pastoor geweest was. Dus mogen we aannemen dat de pastoors eenvoudig weg hun parochies omgewisseld hebben.

Loots was 1499 geboren en had op 19-jarige leeftijd zijn geloften afgelegd. Op 27-jarige leeftijd was hij reeds pastoor. Een gedenkschrift is aan hem en zijn familieleden, confraters in dezelfde Parkabdij, gewijd

"Fuit patrinus F.F. Ambrosii et Laurentii, quorum alter fuit abbas et habet in templo Parchensi tabellum cum hoc inscriptione Ambrosius Loots et Laurentius, optime lector, curarunt poni quae monumenta vides, idque sibi clarisque suis maioribus illis quorum subjiciam nomina tibi: In Rodio Petri pastor gratissium alter qui Theodorici nobile nomen habet et simul amborum patrium clarissium extat, alter ab Arnoldi nomine clarus erat. Qui pater Ambrosio et patruum quom vendicat alter quae coniuncta magis pectora habere queas ? Haec mone, ut memori pia nomina mente recordas, atque hos commandes per tua vota Deo"

Uit deze inscriptie leiden we dus af dat de latere abt van Park, - de 32 ste - een familielid was van Theodurus Loots die stierf in 1551.

Cornelius de Nieuwrhode was daarop volgend pastoor vanaf 1551. Waarschijnlijk omwille van de beginnende godsdiensttroebelen verzaakte hij zijn pastoraat zes jaar later, in 1557, en stierf in 1558. Hij was voordien pastoor geweest te Nieuwrode. Ook Henricus Willemaert, na hem in 1557 pastoor geworden, legde zijn pastoraat te Rode neer in 1565. Hij was de eerste bacchalaureaat van gans de reeks pastoors van Rode. Om het hoofd te bieden aan de theologische opwerpingen die van hervormingszijde geopperd werden, was het vanwege de Park-abdij een wijze maatregel theologisch geschoolde en onderlegde pastoors op de parochies te plaatsen. Onder deze pastoors veranderde Rode van bisdom: vroeger was het bisdom Luik, thans werd het opgenomen, in 1559, in het pasgestichte aartsbisdom Mechelen. Uit 1559 dateert dan ook een dekanaal verslag, gemaakt door de deken van Leuven. Dit verslag maakt gewag van moeilijkheden te Rode. De deken schrijft dat hij, omwille van de gevaren eraan verbonden, niet gedurfd heeft naar Rode te gaan om een nieuwe kapelaan van het O.L.Vrouwaltaar aan te stellen.

Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat voor pastoor Willemaerts het leven te Rode onhoudbaar werd en dat hij verkoos terug te keren naar zijn geboortestad, Leuven, waar hij in 1578 stierf.

Henricus Crijters was zijn opvolger in 1565. (Crijtens wordt geciteerd in de Norbertijnse necrologie als een heilig man. - B. Paullet - overl. 1602) Tot 1573 bestuurde hij in deze kwade tijden de parochie. De necrologie van Park plaatst hem in 1560 te Rode als pastoor, we nemen aan dat dus eerst coadjutor was van Willemaerts.

In 1573 werd Andreas Kimps pastoor voor vijf jaar, want in 1578 werd bij provisor van de Abdij om in 1579 te Leuven te sterven. Hier vinden we in het necrologium van de Parkabdij een aanduiding die een verklaring zou kunnen zijn voor het vroegtijdig verzaken aan hun pastoraat der pastoors in deze periode. We lezen nl. dat de zusters van 's Hertogeneiland (Gemp) in 1578 gevlucht zijn uit hun klooster om te Leuven bescherming te zoeken tegen de geuzen. Zeker is, dat Andreas Kimps in 1578 eveneens naar Leuven terugkwam, en er zelfs prior en provisor werd der verjaagde zusters.

In 1578 waagt Guillielmus Poullet, bacch. theol., het toch pastoor van Rode te worden. Hij geeft echter ontslag in 1592, nadat hij getuige is geweest van menige schermutseling en geweldaad van de kant der hervormers. Zo vermeldt Boonen in 1587 "Septembris ultima, hebben die vrijbuiters of de geusen het huys ter Horst in brant gestecken, waerop de rentmeester vanden selven huyse, Coen genaempt, verbrant is...” Gans de streek werd trouwens onder de voet gelopen door geuzen en raspalpe: de volgende dag, 11 oktober, verschijnen de geuzenbenden in Rotselaar waar ze Juffr. Margriet Van den Bergh schaken, meevoeren naar Bergen-op-Zoom, en haar voor een losprijs van 1000 rijnsgulden weer vrijlaten.

Dat ze het in de streek vooral gemunt hadden op de pastoors, lezen we in een relaas van een overval te Hakendover en te Viliers: “Daar werden verscheidene priesters gevangen, de pastoor van Hakendover vermoord 't Welck grootelijck te beclaegen is dat men de vijanden binnenlants sulcken wil, rooverijc ende moorderijc laat bedrijven”.

Guillielmus Poullet verkiest dus op zijn beurt veiliger oorden en legt uiteindelijk zijn verantwoordelijkheid als pastoor van Rode in 1592 neer. Hij stierf te Park in 1602. Hij was auteur van verscheidene merkwaardige godsdienstige boeken.

Het is opvallend dat niet alleen Poullet, maar nagenoeg al zijn voorgangers uit de 16 de eeuw, en ook zijn opvolgers, uit Rode zijn weggegaan en veiliger plaatsen opzochten.

Oorzaak daarvan is ongetwijfeld niet alleen de verwoesting van Horst in 1587 door de geuzen, maar de gistende mentaliteit van gans de bevolking. Op de cijnskaart van de abdij van Park treffen we tussen het kasteel van Horst en de Kerk van Rode (huidige Horststraat) een bos aan dat in rode letters "De ketterije" genoemd wordt.

Een handschrift met wat nota's bij het jaargetijde van Am. Boete vermeldt over deze tijden het volgende (het gaat over de XVI e eeuw): "Daernaer is de kercke van Sinte Pieters Rode bestolen ofte geplundert geweest, so datter geene ornamenten sijn gebleven..." De beeldenstormers hebben te Rode dus huis gehouden. En een volgende alinea is ook veelbetekenend: "In de sestiende eeuwe in de troubbele tijden hebben de heren capellaenen van O.L.Vrouwaltaar ende van Castel van Horst genootsaeckt geweest de vlucht te nemen ende hebben in Sinte Pieters Rhode niet cunnen resideren… (cfr. Notae en reflectie op de jaergetijde van Am. Boete in de Kercke van S.P.Rhode). Opvallend is ook dat geen landdeken van Leuven zich op het platteland waagde. Tussen 1559 en 1598 werd te Rode geen kerkvisitatie vermeld in de archieven van het aartsbisdom.

Na G. Poullet werd in 1592 Augustinus Rhodii (van Rode) pastoor. Voordien was deze te Antwerpen prior van St. Michiel geweest. Hij was geboortig van het hertogdom Gulik. In 1609 verliet hij reeds St-Pieters-Rode "ob infamiam de se sparsam", omwille van de lasterpraat, en stierf als vluchteling te Brussel in 1635, Hij was naar Brussel gevlucht omwille van het beleg van Leuven.

Deze dramatische pastoor heeft zeker te Rode zwarte tijden gekend. Het dekanaal bezoek zegt ons dat de kerk in de vlammen is opgegaan, en dat de pastoor bezig is geleidelijk aan de schade te herstellen. . . Volgens dit verslag is de pastorie eveneens grondig vernield. Er wordt te Rode geen school meer gedaan, en niemand herinnert zich wanneer het vormsel nog werd toegediend, de doopvont is vernield en het sacrament wordt in het geheim bewaard.

Rode was echter geen uitzondering in die tijd ook de kerk van Wezemaal ging in 1578 in de vlammen op. Het

verslag van de dekenale visite aan Kortrijk-Dutsel vermeldt in 1598 dat de pastoor van Rode, Radii, aldaar kanoniek de deken van Leuven verving.

De toestand moet lamentabel geweest zijn: in 1600 schrijft de landdeken van Leuven aan de Mechelse bisschop: te Rode wordt het H. Sacrament op een weinig eerbare plaats bewaard, en nog altijd is er geen doopvont, een koster evenmin. Toch was er in 1602 naast de pastoor ook een kapelaan die moest instaan voor het Maria-altaar te Rode en voor de kapel van Horst, waar hij eenmaal om de twee weken mis moest lezen. Dit is evenmin een normale toestand, het kasteel had in rustige tijden zijn eigen kapelaan.

De kapelaan van het Maria-altaar was in 1602 Johan Duremans. Van hem hebben we een Manuale of handboek waarin hij zijn inkomsten en uitgaven optekent. Dit Manuale dateert van 1602-1605. De kapelaan geeft daarin o.a. afschrift van een rekening (t.t.z. zijn uitgaven om de kapel van O.L.Vrouw na de brand te herstellen). We geven ze volledigheidshalve

"Item in den iersten aan een voyer kepers, beth. VI st.
Item aan Jan die Cuyper van timeren III st.
Item die selve voor sijnen cost en dranck 10 st.
Item gegeven aan Huybrecht van Griecken voor vier busselen latten, de bussel 4 st. 16 st.
Item aen groote en clyn nagelen 8 st.
Item aen Antoon van Eycken voor twee Mechelse ooren / om die Ooren te hangen 8 st.
Item beth. aen Anthoon Jordens tot Cortelke voor 4 dobbel eycke berdens om die dore aff te maken 4
ld.
Item aen Jan van Geertruyen tot Holsbeke gecocht 43 busselen walms om die voorz. sakristije door te decken 5 gld. 6 st.
Item beth. aan Wouter Cornelis van Selve Walmen te halen van Holsbeke tot St.P.Rode 15 st.
Item aen seven voyeren leem van vrachte beth. aan Claes Leemans 21 st.
Item aen dackroeyen beth. 6 st.
Item beth. aen Peter die Raet van decken, woensten ende van binnen te besetten 4 gld. 2 st.
Item gegeven opden 24 juli 1605 vande dore met een venster te maken 18 st.
Opden sevensten sept. 1605 noch gegeven aan een slot tot die selve sakristije metten slotel ende afslaan 12 st. Noch vier ijsere ooren totte venster mette nagelen des selfs 3 st.
Item van de selfste doen te witten aen Peter tot Cortelcke
Item opden 20 juni datum voorz. betaelt aan Huybrecht van Griecken van die aerde ende geruis uyt te dragen: drie molevaten core 22 st.
Item heb ick noch voer de wercklieden beth. voer en bier 12 st.”

Uit deze rekening halen we enkele belangwekkende conclusies:

  • De kapelaan die het beneficie had, moest zelf zorgen voor het onderhoud en de "uitzet" van zijn altaar en sacristie. Hij moest zelf daartoe de nodige schikkingen treffen, niet de pastoor.
  • De kerk was grondig uitgebrand; alle houtwerk, deuren en dakwerk waren in de vlammen opgegaan: er is zelfs een post voorzien voor het uitdragen van de aarde en het gruis uit de kapel.
  • De herstellingen werden met goedkoop materiaal gedaan dit blijkt uit het feit dat het dak met stro werd bedekt.

Ondanks de inspanningen van pastoor en kapelaan is volgens dekanaal verslag van 1605 het kerkdak nog niet volledig toegedekt. Is de toestand van de kerk lamentabel, de bevolking schijnt toch godsdienstig gebleven te zijn, zoals blijkt uit de beknopte mededeling in 1605: "Allen zijn te biechten geweest" Dit hoeft ons niet te verbazen: de mensen stonden ongetwijfeld onder sterke druk van de staatskerk. Deze pressie van de kerk op het volk komt ons nu zeer vreemd, ja soms hatelijk voor. Zo lezen we bij in een verslag van die tijd over Kortrijk dat er een oud vrouwtje was die beweerde haar paasplichten niet te kunnen vervullen "proptor caducam aanitatem", omwille van haar wankele gezondheid. Naast deze vermelding schreef de vicaris-generaal van het bisdom onverbiddelijk: "Er moet haar een uiterste datum gegeven worden, en indien ze dan nog niet gaat, dan worde ze aangeklaagd."

Gelijkaardige gevallen deden zich ook voor te Rode zelf. In 1632 vermeldt de deken in zijn verslag dat een jongen en twee vrouwen hun pasen niet hielden, waarbij hij dan onmiddellijk toevoegt: er zal hen een uiterste termijn worden gesteld, waarna ze zullen worden aangeklaagd.

Dit alles schijnt het gevolg te zijn geweest te Rode van de raddraaierij van een zekere Joannes, een schoenmaker, die voordien reeds meerdere jaren in gebreke bleef en 't volk opstookte. Het hoeft ons dan ook geenszins te verwonderen, dat de kerk hardhandig deed ingrijpen.

De restauratie van de kerk vorderde dus, zoals gezegd, langzaam maar zeker: in 1606-1607 laat de deken aan aartsbisdom Mechelen weten, dat de kerk hersteld is maar dat er nog geen vensters in stonden, en dat de toren een desolate aanblik biedt.

Augustinius Rodius vertrok echter uit Rode, zoals hoger aangehaald, omwille van persoonlijke moeilijkheden en ruimde de plaats voor de volgende pastoor: Jacobus Mertens.

Deze Jacobus Mertens durfde te Rode verblijven, en was volgens dekanaal verslag van 1609, vol ijver voor zijn dienst. de kerk was van binnen en van buiten, op de toren na, totaal opgeknapt. Na de restauratie van de kerk begon Jacobus Mertens met het herstellen van de verwoeste pastorie, althans de grootste gaten werden gedicht. De abdij van Park gaf daarvoor 300 florijnen. Het staat vast dat de pastorie zich toen reeds bevond waar ze nu staat. Ze was echter nog niet omgeven door wallen en een ophaalbrug. Dit is van latere datum. Pastoor Mertens gaf ontslag als pastoor te Rode in 1615, en wordt pastoor te Tervuren. In 1625 overlijdt hij.

In 1615 wordt hij te Rode opgevolgd door Joannes Duselius. Deze was hollander van geboorte. Voordien was hij koster en provisor geweest, daarna prior van de abdij van Tronchiennes van 1612 tot 1615, jaar waarin hij pastoor te Rode werd. Tegelijkertijd met zijn pastoraat te Rode nam hij de zielzorg te Houwaart op zich. Hij stierf te St-Pieters-Rode in 1626 ingevolge de pest, en werd er in de kerk begraven. Van hem schreef de landdeken reeds in 1619, dat hij uiterst bezorgd was voor de onderdanen en zijn geburen. In 1626 betaalde deze edelmoedige pastoor zijn naastenliefde met de dood.

Er schijnt ondertussen weer een overval op de kerk te hebben plaats gehad, want de deken, die de vorige jaren melding maakt van volledige restauratie, wijst op dringende noodzaak van veel te restaureren wanden… en hij voegt eraan toe: Er is ook dringend een ciborie nodig om op een eerbiedwaardige manier Ons Heer naar de zieken te kunnen dragen. Waaruit we afleiden, dat op een gegeven ogenblik alles geplunderd werd.

Onder Joannes Duselius is er ook een nieuwe kapelaan van het Maria-altaar te Rode terechtgekomen, Oct. Lemmens, die het echter niet al te nauw opnam met de ijver voor Gods huis. De deken schrijft dat het altaar te slordig is, dat de ornamenten smerig zijn, en dat de kapelaan meestal te Leuven verblijft in het Winckelen kollege. Hij studeert rechten aan de universiteit.

In 1621-1622 dringen de dekanale verslagen nog steeds aan op herstellingen van de kerk. De altaren zijn geschonden geweest en nog niet gereconcilieerd. In diezelfde jaren is er terug een kapelaan voor Horst, maar die verblijft er niet. Het is een zekere Laurentius, Kanunnik in Diest.

1622 is het eerste jaar waarin we het bevolkingsaantal van St-Pieters-Rode kennen. Er zijn 400 paschantos, mensen die hun Pasen houden. Er waren 26 geboorten.

In 1624 zijn er nog slechts 360. Dit wijst op de groeiende (kinder)sterfte omwille van pest, oorlog en ondervoeding in die jaren. Daarover zullen we later uitweiden.

Uit de tijd van pastoor Duselius hebben we nog een zeer interessant voorval genoteerd dat erop wijst hoe goedgelovig de mensen konden zijn, en hoe de kerk wilde tegen duivelse kunst en hekserij. In 1625 bekloeg zich pastoor Duselius bij de deken dat het volk van Rode en omstreken naar Lubbeek trok, naar een vrouw, Christina Heymans geheten, om verlost te worden van ziekte en ongeluk. Deze vrouw was door de duivel bezeten en bijgelovig in praktijk. Zij legde boetedoeningen op en bedevaarten, en beweerde dat de kwalen overgestuurd worden door de geesten van ouders of vrienden. De mensen liepen er des te gemakkelijker in daar ze zelfs kan zeggen hoe die overleden personen waarvan ze kwaad zei eruit zagen, hoe ze gekleed waren, welke littekens ze hadden over hun lichaam, of ze een of twee ogen hadden, zelfs als ze al vijftig, zestig jaar dood waren. Daar deze feiten zich publiek en herhaaldelijk voordeden, gelastte de deken een onderzoek. De pastoor van Rode bood aan de feiten te constateren en meerdere getuigen om absolute zekerheid te hebben. Waarop de vicaris-generaal antwoordde dat om tot een dergelijk rechtsgeding te komen er schriftelijke en getekende getuigenissen nodig waren. Waaruit we opmaken dat er tegen deze vrouw een soort heksenproces in voorbereiding was. De uitslag daarvan is ons niet bekend.

Omtrent de kapelaan Joannes Lemmens schreef de deken in 1626 dat hij nu gediplomeerd jurist was die te Brussel een praktijk had. Hij wil niet gekleed gaan als een priester, maar wel mondain en laat zich te Rode vervangen door een residerende kapelaan.

Het was onder pastoor Jan Duselius dat de pastorie versterkt werd met wallen en ophaalbrug, in 1625. Tussen 1625 en 1626 werd het pastoorshuis schitterend hersteld.

Deze ijverige pastoor heeft weinig vruchten van zijn opbouwend werk kunnen plukken daar hij overleed ingevolge de pest in 1626. Of deze pestepidemie te Rode slachtoffors maakte dan wel te Houwaart in dit jaar weten we niet. Wel lezen we in de dorpsregisters van die tijd dat er te Rode kinderen uit andere dorpen worden gedoopt, omdat aldaar de pest was. Dit is het geval voor Lubbeek in 1598.

Na de dood van pastoor Duselius komt te Rode als nieuwe pastoor Joannes Custermans. Hij bleef tot 1641 pastoor en werd te Park begraven. "Erat vir pacificus et timoratus, vir studiosus et amator disciplinaeu" zegt het necrologium, "hij was een vreedzaam en stil man, weetgierig en met zin voor tucht".

Uit de dekanale verslagen van die tijd, berustend te Mechelen, kunnen we ons een beeld vormen van de parochie Rode en het godsdienstig leven. In 1631 vermeldt de deken : "Pastoor te Rode is J. Castermans. Deze preekt iedere zondag, in de vroegmis geeft de pastoor 's zondags katechismus aan het volk. Er worden ook vespers gezongen. Er zijn 350 mensen ongeveer die kommuniceerden met Pasen of op Pinksterdag. De parochie is zeer uitgestrekt. De toren van de kerk gaat kortelings hersteld worden, daartoe werd reeds een voorraad hout bijeengebracht. Ook zouden de muren van het kerkhof nodig hersteld moeten worden, en de vloer van de kerk, die te ongelijk is". Deze hobbelige kerkvloeren waren het gevolg van het feit dat soms in de kerk mensen begraven werden. De beenderen van het kerkhof werden ook under de kerkvloer terug begraven. Dit dekanaal verslag maakt ook gewag over de wrevel van de pastoor omdat de kapelaan van het O.L.Vrouwaltaar, advokaat Lemmens, te Brussel verblijft en de pastoor het werk laat doen. Dientengevolge schreef de deken naar de kapelaan, die antwoordde dat hij te Brussel de missen zou doen. De pastoor wenste dat hij dan maar liever iemand betaalde om te Rode zelf te verblijven om de dienst te verzekeren. Het bisdom greep echter in. De kapelaan werd verplicht, op straffe van gerechtelijke uitspraak, zijn verplichtingen na te komen.

De geestelike heren namen het trouwens niet zo nauw, ook de kapelaan van het Antoniusaltaar op Horst, met 3 missen in de week, was afwezig en verbleef als kanunnik te Diest. Deze kanunnik van Hoelbergen beweerde dat hij van de Heer van Schoonhoven toelating had gekregen deze missen te Diest op te dragen. Ook hij kroeg een dekanale brief...

Dit waren de moeilijkheden naar binnen toe. Daarbij kwam nog dat de parochie overhoop werd gezet door soldaten. Zij brandschatten Rode in 1633 voor 300 fl. De parochie betaalde, op voorwaarde dat de gemeente binnen 1/2 jaar de schuld aan de parochie zou teruggeven.

In 1632 is pastoor Costermans begonnen een register aan te leggon voor de overledenen, volgens dekanaal verslag. Dit klopt met de werkelijkhoid: voor 1632 hebben we geen overlijdensregister.

Na elke preek bidt de pastoor het Onze Vader, twaalf artikelen, tien geboden. De kerk kan zich terug verblijden in de dienst van een koster. De kalk en steen voor het herstel van de toren zijn ook aangekomen. In 1644 werd een nieuwe kerkhofmuur gemetseld, hetgeen 600 florijnen kostte.

De toren werd eindelijk hersteld rond 1650. Waarna er een geschil ontstond over de klokken. Omdat de parochie zo groot was, moest een zware tiendenklok zijn die ver genoeg haar klank uitdroeg. Vergeten we niet dat sommige huizen van Nieuwrode, tot zelfs voorbij de kerk aldaar richting Gelrode (Rot), te Vlasselaar en te Houwaart tot de parochie van St-Pieters-Rode behoorden. Daarom vroegen de pastoor en de kapelaan een zwardere klok - ze hadden er een van 500 pond. Daarom ook eiste de heer van Horst een klok van 3000 pond. In 1654 schonk de Park-abdij dan een tiendenklok van 2000 pond. Ondertussen was er echter een nieuwe pastoor gekomen, in 1641. Het was Joannes Schaetbroeck, die voordien onder-prior te Park was geweest. Over hem zegt de kronist van de abdij dat hij een vreedzaam en gedisciplineerd man was, en een ijverig pastoor. De koster schijnt - sinds hij gehuwd is - zich niet meer te bekommeren om kerk of pastoor. Dit leidt tot zijn vervanging. De pastoor van Vlasselaar verwerft het kosterbeneficie, maar laat zich vervangen. Het is ook sinds

1652 dat er voor de eerste maal spraak is in de archieven over processies. De processie ging toen, zoals tot in de jaren 1960, op zondag na St. Jan. Onder het pastoraat van Van Schaetbroeck wordt de verering van het H. Sakrament gestimuleerd, en wordt een beneficie van het H. Sakrament opgericht dat begiftigd wordt met de helft van de tienden van Vlasselaar. De kerk krijgt een nieuwe kelk en een missaal. We beleven eeen ware contra-reformatorische opbloei. Ook de kapel van de Roeselberg werd van binnen geschilderd voor 300 fl. Sinds pastoor Van Schaetbroeck mocht er op het kerkhof geen vee meer grazen.

Deze pastoor had eveneens de macht te exorciseren (duiveluitdrijving) en de gereserveerde zonden te vergeven en hij las het Romeis officie, opgelegd door Trente. Na de stichting van het beneficie van het H. Sakrament volgde in 1654 dit van St. Rochus en Lucia.

In 1656 overleed pastoor Van Schaetbroeck te Park en werd te Rode datzelfde jaar opgevolgd door Paulus de Waersegghere. Hij was een geboren Leuvenaar (26 mei 1611) en voor zijn Rodense ambtsperiode pastoor van St-Joris-Winge. Hij was, gedurende zijn 25-jarig pastoraat te Rode een nauwgezet en waakzaam herder die zijn volk gewetensvol onderrichtte. Dit vroeg toch een zekere standvastigheid, want de tijden waren nog steeds niet veilig. Dit blijkt uit de dekanale rapporten waarin gezegd wordt dat onwille van de troebele tijden nog geen licht wordt gebrand voor het H. Sakrament. Ondertussen was er ook een nieuwe kapelaan van het Maria-altaar gekomen. Het was Ant. Van Geelberghen. Deze was tegelijkertijd pastoor van Wilre bij St.Truiden en liet zich hier vervangen door een monnik uit de abdij van Vlierbeek.

Dank zij pastoor de Waersegghere hebben we een klare kijk op Rode in die tijd. Van zijn hand is er eveneens een manuale. In 1657 hangen er in de kerktoren drie klokken: één van de abt (de tiendenklok), één van de kerkfabriek en een van de parochiegeestelijkheid. Pastoor de Waersegghere wist orde te houden onder zijn volk: gedurende de mis werden er voor de herbergen wachten geplaatst om de toegang te verbieden.

Het aantal paasplichtigen schommelt rond de 450. Maar daarbij zijn de huizen te Nieuwrode, Houwaart en Vlasselaar gerekend die bij St-Pieters-Rode geestelijk waren ingelijfd. In het jaar 1672 zorgde pastoor de Waersegghere voor een nieuwe vloer in het koor en het schip van de kerk. Hij liet een nieuwe biechtstoel plaatsen en een nieuw hoofdaltaar. Het is wellicht deze 17de eeuwse biechtstoel waarvan de Borchgrave gewag maakt in zijn inventaris; en die in 1962 reeds verdwenen was. Pastoor de Waersegghere stierf te Park in 1680.

Van 1680 tot 1682 werd te Rode pastoor Ambrosius Thielens. Daarna werd hij prior van 's Hertogen Eiland-Gemp. Voor hij te Rode kwam was hij pastoor geweest te Winge (1668) en Nieuwrode (1678).

Hij was een hooggeleerd man, weinig spraakzaam, devoot en gewetensvol, die het klooster van Gemp tot een hogere geestelijke bloei voerde (necr.)

Theodicius Van der Zanden komt te Rode zijn plaats innemen in 1682, maar overlijdt reeds een jaar later, 1683. Was er een epidemie die ook hem slachtoffer maakte? In alle geval merken we dat van 1658 tot 1683 het cijfer der paasplichtigen daalde van 450 in 1658, 360 in 1672 en 346 in 1683. Theodicius Van der Zanden overleed zeer jong. Hij was te Brussel geboren op 20 december 1640. Voor zijn pastoraat te Rode was hij onderpastoor geweest te Gemp en te Winge.

In 1683 werd Adriaan van Schijndel pastoor. Hij stichtte in 1685 het genootschap der Gelovige Zielen van het Vagevuur, waarvan nu nog het ledenboek bestaat, alsmede de pauselijke oprichtingsbulle. Dit ledenboek is een merkwaardig stuk, verlucht met vele blazoenen, in waterverf geschilderd. Er is ook nog een uit 1719 daterend gebedenboekje dat aan de leden werd bezorgd, omvattende litanien, een berijmde vertaling….enz. De prachtige waterverf-verluchtingen van dit Genootschap-boek werden gemaakt – en de bijbehorende teksten geschreven door pastoor de Vadder van Kortrijk-Dutsel (Boek Gel. Zielen 21 sept. 1698).

Het is onder deze pastoor dat de parochie werkelijk een hoogkonjunctuur beleefde. Er werden kostbare schilderijen gekocht, zilveren kandelaars, goudbestikte gewaden. De deken geeft in 1701 daarover een verslag aan de bisschop, dat hij besluit met de woorden "over heel de kerk zijn zoveel kostbaarheden verspreid dat het ongetwijfeld de machtigste kerk van het Hageland is". We geven hier de inventaris van 1701

1. Boven het hoofdaltaar hangt een schilderij Kruisafdoening
(Jammer genoeg zijn de schilders van deze inmiddels verdwenen stukken niet vermeld).
2. Boven Maria-altaar Schilderij Geboorte van Jesus.
3. St. Sebastiaansaltaar Zilveren relikwieschrijn met relikwien van St. Valentijn, Aureliaan, Celestijn, Maximinus.
4. De zijmuren twee schilderijen: Rouwmoedige David, St. Niklaas van Tolentijn die bidt voor de zielen in het Vagevuur (Dit houdt ongetwijfeld verband met het pas gestichte genootschap der zielen in het Vagevuur).
5. 51 Verscheidene zilveren kelken, ciborie en remonstrans: valde pulchra, alta et deaurata (zeer mooi, hoog en verguld)
6. Tien goudbestikte kazuifels, twee van elke kleur, een kostbaar pluviale.
7. Zilveren en vergulde kandelaars.
8. Ficti flores (nagemaakte bloemen op de altaren)

Was de deken zo enthoesiast over de kerk, over de altaarbedienaar - kapelaan - is hij dat minder, want hij gaat verder "De vroegmislezer is niets waard, leeft schandalig in bij de smid, is een zuiper en slijt zijn tijd in de herbergen". Over pastoor Van Schijndel is de deken veel milder in zijn oordeel. Met zo'n kapelaan, die herrie schopt tijdons de preek omdat hij zelf veel liever het volk onderricht in plaats van de pastoor, moet men wel mild zijn voor de pastoor, waarover de deken schnijft: de pastoor geniet goede naam en faam behalve alleen maar, dat hij een meid heeft die een bazig vrouwmens is, waar hij mee naar de kermis gaat. Pastoor Van Schijndel beloofde dit niet meer te doen, en er is geen schandaal, want de man is eerbaar en versleten… (A.M./D.V. 1707) Daar had de deken gelijk in, want in 1709 lezen we dat pastoor Van Schijndel, ziek en astmatiek, een helper gekregen heeft: Sigardus Waghemaeckers. Hij overleed te Rode in 1714.

Ten titel van informatie geven we hier een begrafenis-tarief weer dat vermoedelijk van de hand is van een der voornoemde 17 de eeuwse pastoors. Begrafenis-tarief 17 de eeuw:

1 Begrafenis op het kerkhof van volwassene met lijkdienst
aan de pastoor
3 - 4 - 0
voor de plaats en het baarkleed
aan de kerk
0 - 15 - 0
4 kaarsen op het altaar en 4 rond de kist, samen wegend 3 ponden
1 pond Spirreta
Deze kaarsen en het offergeld is voor de pastoor indien de dienst moet betaald worden met dat offergeld
 
voor de koster
1 - 15 - 0
2 Begrafenis alleen, met dienst later (bij te voegen bij 1)
aan de pastoor
1 - 10 - 0
 
aan de koster
0 - 15 - 0
3 Begrafenis 's avonds met afzonderlijke mis
aan de pastoor
0 - 10 - 0
 
aan de kerk
0 - 5 - 0
4 Begrafenis van een kind
aan de pastoor
0 - 5 - 0
 
aan de koster
0 - 4 - 0
5 Begrafenis in de kerk
De familie moet zelf instaan voor het delven en sluiten van het graf in de kerk.
Voor de grafplaats in de kerk moet dus nog eens een recht van 6 gulden betaald worden.
(Manuale de Waerseggbere S.P.R p.53)

voor de plaats en het baarkleed

aan de kerk
6 - 0 - 0
4 kaarsen op het altaar en 4 rond de kist, samen wegend 6 ponden
2 pond Spirreta
Begrafenis, afzonderlijk van de dienst
aan de pastoor
3 - 0 - 0
 
aan de koster
1 - 10 - 0
Begrafenis, s'avonds afz. mis in de kerk
aan de pastoor
1 - 0 - 0
 
aan de koster
0 - 10 - 0
6 Begrafenis van kind in de kerk
aan de pastoor
0 - 16 - 0
 
aan de koster
0 - 8 - 0
7 Assistentie diaken en … (ook de Vigiliezinger)
2 - 0 - 0
bij een begrafenis in de kerk
  4 - 0 - 0
8 Dertig missen en ……….
Voor twee zangers en misdienaars (chorants)
12 - 0 - 0
0 - 14 - 0

Het is jammer dat de man die de parochie zo terug wist op te trekken, eveneens getuige moest zijn van een zo grondige vernieling en plundering der kerk, in 1705. Over deze wederwaardigheden in het dagbaek van Abt de Bruyn (Chronique d'un prelat du XVII o s. P. Lenaerts)

Op 18 juli koos de hertog van Malbourouck met zijn gevolg Vlierbeek tot verblijfplaats. Die dag waren we te Park in groot gevaar. Diezelfde dag pleegden de soldaten, voornamelijk de Engelse, grote barbarij en braken in en plunderden in de kerken van de omtrek. Dit miserabel lot viel onze confraters-pastoors van Lubbeek, Kortrijk en St-Pieters-Rode ten deel. Hun kerken en pastorieen zijn totaal leeg gestolen...

Doorover hebben we nog een paar verslagen, van de hand van de pastoor van Kortrijk, de Vaddere. Hij geeft het volgend relaas in het ledenboek van St.Marcoen. Een gelijkluidende nota is te vinden in het doopregister:

"Ongeveer 10.000 Engelsen en Hollanders zijn bij Tienen door de verdedigingslijn gebroken onder de leiding der generaals Malbourough en Auerkercke en hebben deselve ons gebeel dorp alsoock alle anderen geplunderd ende geruineerd absoock de kercke, so dat wij onvoorsiens tegen den avondt overvallen sijnde. .

Stellen we ons de toestand voor van een landelijk dorp dat plots in de namiddag overvallen wordt. Het is een ijlvlucht geweest. Een paar bewoners geraakten niet verder dan de kerkzolder waar zo zich verscholen. Een Kortrijkse moeder baarde haar kindje op de Kempische hei.

In zijn rekeningslot aan de abdij van Park schrijft dezelfde pastoor van Kortrijk dat het volk hals over kop de Kempen is ingevlucht. Hij zelf had zich te Aarschot verscholen. Zo zal het ook wel de bevolking van Rode vergaan zijn. De soldaten kwamen tot 31 juli iedere dag terug om te roven en te plunderen, zodat de vluchtelingen pas op 14 augustus terug naar hun verwoeste dorpen durfden komen. Alles werd weggenomen, de pastoor van Kortrijk klaagt erover dat zijn paarden, vee, hennen, huisraad, meubilering, kortom alles weg is of verwoest. In Rode was de toestand niet beter, want abt de Bruyn in zijn dagboek (Chron. d'un prelat) noteert op 25 aug. 1705 "In de vroege morgen ben ik met de koets naar Kortrijk gereden, vergezeld door onze koster Fr. de Choux, en ik heb er het onteerde kerkhof en de geschonden kerk gereconcilieerd. Daarna ben ik voortgereden naar St-Pieters-Rode, en reconcilieerde eveneens kerk en kerkhof. De pastoor van St-Pieters-Rode bood ons een maal aan. Op het kasteel van Horst, omdat zijn pastorij totaal geplunderd was...

Sindsdien is de kerk van Rode zelf deze plundering niet meer te boven gekomen. Alle kerkschatten die toch wel iets te te betekenen hadden, zijn met de vluchtende legers verdwenen. Nadat pastoor van Schijndel in 1714 overleden was, werd zijn opvolger te Rode Remigius Smets. Deze was reeds voordien pastoor te St-Joris-Winge. Hij overleed in 1719, nog ten tijde van de oorlogen de abdij onschatbare diensten te hebben bewezen (Necr). Uit het dagboek van abt de Bruyn weten we, dat hij dikwijls te dien tijde naar St-Pieters-Rode ging. Pastoor Smets vergezelde enkele keren de abt naar de Staten-generaal. Het leven op de buiten heeft zich in die periode genormaliseeerd, dit leiden we af uit het feit dat de pastoors regelmatig samen kwamen op een of andere pastorie, en ook te Gemp, waar de abt van Park hen dan vergastte op een "tarta" - dit zou het Latijnse woord moeten zijn voor onze taart of Hagelandse vlaai.

Georgius van Oijenbrugghen wordt pastoor te Rode in 1719, tot 1735. Hij was Leuvenaar, geboren in 1667, was lector in de Theologie aan de universiteit 1699, pastoor te Winge 1707, prior der abdij in 1714 en pastoor te Rode 1719. Sterft in 1735. Hij was de zoon van de Leuvenaar Georges van Oijenbrugghen, die in 1673 ontvanger was van de abdij van Park (zie feodaal boek Heverlee en Bierbeek).

Franciscus Van Nouven volgt hem in 1735 op, tot 1758. Eveneens in Leuven geboren 5 okt. 1686, doet hij te Park in 1710 zijn geloften, wordt lector in Theologie te Park 1716-25, pastoor te Korbeek-Lo 1721, provisor 1725 en belandt uiteindelijk te St-Pieters-Rode 1735 waar hij stierf in 1758.

Vanaf de jaren 1730 mogen we rekenen dat de abdij van Park werkelijk een geestelijke hoogconjunctuur bereikte die zich weerspiegelt in de machtige premonstratenser pastorien uit de streek, absmede in de abdij zelf. Samen met St-Pieters-Rode, of even daarna, werden te Houwaart, Lubbeek, St-Joris-Winge, Korbeek de zo mooie en typische postorien gebouwd. Het pastorie-interieur van St-Pieters-Rode werd voor een deel herbouwd 1741 in een sublieme Louis XV de stijl.

Leopold Henrici (Hendriks) volgt pastoor Nouwen op in 1758, tot 1770, na hier eerst onderpastoor te zijn geweest in 1748. Hij werd te Mechelen geboren 28 maart 1712.

Tot en met pastoor Leopold Hendriks vermeldt het bekende schilderpaneel uit het archief der Rodense pastoors de bedienaars van de kerk. De twee laatste pastoors hadden evenwel geen schild: het medaillon bleef blank (Van Nouwen en Hendriks). Er zijn echter twee stukken met pastoorsschilden, het oudste vermoedelijk gemaakt onder pastoor Georges Van Oyenbruggben (± 1725) in een archiefboek, en een groot geschilderd paneel, 1.30 op 1.50 ongeveer, dat wel schilden geeft van opvolgers tot 1929. Zeer duidelijk valt echter op te merken dat de zin voor heraldiek verburgerlijkt en verflauwt, om tenslotte bijna banaal te worden. Waar vroeger veelal het schild een familiestuk was of een verzinnebeelding van de naam, zeer fraai soms, wordt het uiteindelijk een middel tot weergave van datgene wat men voornamelijk presteerde in de parochie: bouw van een school, kerk of kapelletje.

Aan Mauritius Stas, van 1770-1783 pastoor te Rode, hebben we zeer veel te danken voor de geschiedschrijving van Rode. Hij zocht, verzamelde en ontcijferde honderden documenten: wellicht niet altijd tot zijn gemoedsrust, want dit bracht hem in proces met de pastoor van Nieuwrode, meer bepaald omtrent de begrenzing der geestelijke jurisdictie over Nieuwrode in St-Pieters-Rode. Hij is de auteur van de verhelderende "Catalogus Duminorum temporalium de Horst in Rhodie St. Petri" en "Recherches et Notes historiques", manuscripten die bewaard worden in de archieven der abdij van Park.

Tijdens het pastoraat van Stas werd, op 5 juli 1780, terwijl het volk van Kortrijk-Dutsel op bedevaart was naar Scherpenheuvel, het Maria-kapelletje tussen Rode en Kortrijk, onder de Rodeberg, geschonden door een jongen van Lubbeek, een zekere Roskams, zoon van een radermaker. Deze jongen had met zijn stok eerst de ruiten van dit kapelletje ingeslagen, en daarna het Mariabeeldje in gebakken aarde, stukgeslagen. Stas, die samen met de koster in de namiddag van Holsbeek kwam, vond de stukken aan de wegkant. Het relaas en de nota's dienaangaande, ongetwijfeld opgesteld voor gerechtelijke vervolging, werden zorgvuldig bewaard. De uitslag van de vandalenstreek is ons niet bekend: vermoedelijk was deze jongen - naar onze normen - wel ontoerekenbaar, voor zover het relaas der feiten ons juist weergegeven is.

Tevens werd, in 1782, het geschil betreffende de geestelijke grenzen van Nieuwrode en St-Pieters-Rode geregeld. Na de hoogmis, op de eerste zondag van Augustus moesten beide pastoors de nieuwe regeling voorlezen. In grote lijnen komt het hierop neer:

  • Alle huizen in de dorpskern van Nieuwrode die tot nog toe tot St-Pieters-Rode behoord hadden, worden overgebracht naar Nieuwrode.
  • St-Pieters-Rode behoudt Vlasselaar tot de parochie, voor zover het ligt langs de Rodense kant van de steenweg van Kortrijk naar de Blauwmolen, onder de Wezemaalse Berg.
  • de limieten met Nieuwrode, in het broek, worden gevormd door de lostingbeek, niet door de Winge.
  • Luttelkolen-Nieuwrode is parochie St-Pieters-Rode.

Ook Maur. Stas was bacchalaurus in de theologie.

Het Manuale van pastoor Henrici is voor de kerkelijke geschiedenis van Rode interessant omdat het klaar en duidelijk de verplichtingen en de rechten, verbonden aan het pastoraat te Rode weergeeft. We lichten daaruit het volgende omtrent enkele fundaties en vaste geplogenheden:

  • de pastoor moet iedere week een votiefmis opdragen ter ere van het H. Sakrament. Voor en na de mis wordt de zegen gegeven met het H. Sakrament. Voor de mis wordt het Tamtum Ergo gezongen. Na de mis Ave verum, waarna de tweede strophe van Tantum Ergo. Doorvoor krijgt de pastoor jaarlijks 15 florijnen.
  • Op zon- en feestdagen wordt er lof gedaan ter ere von O.L.Vrouw en tevens gedurende het octaaf van Allerheiligen. Daarvoor krijgt de pastoor van de kerk 2 fl. en 8 stuivers.
  • Jaarlijks moet de pastoor de passie preken. Hij wordt daarvoor vergoed met 2 fl.
  • Ieder jaar moet er een mis gezongen worden ter ere van St. Rochus voor 1 fl.
  • Telken jare moest er eveneens een mis gezongen worden ter ere van St.Hubertus "tot bewaarnisse van de gemeynte midts te betaelen de helft van de kercke ende de helft van den H. Geest". Deze helft bedroeg, sinds de overeenkomst van 3 nov. 1701 tussen de schepenen van Rode en de pastoor 20 ass. voor de H. Geest, 20 ass. voor de kerk te betalen.
    Het is opvallend dat deze devotie te Rode tot de H. Hubertus samenvalt met dezelfde devotie in het klooster van Gemp in dezelfde jaren. Daarvan vonden we nog een rijmpje:

    Kompt tot Gemp Sint Huybrecht eeren
    En hier sijnen lof vermeeren
    Hij sal U behulpsaem wesen
    en van Rasernije ghenesen.
    Komp sijn beendren hier begroeten
    Hij sal Uwe smert versoeten
    Kompt sijn broodt en waeter nutten,
    Hij sal Uwe quaele stutten.

  • Een mis moest jaarlijks opgedragen worden ter ere van St. Lucia voor 1 florijn.
  • 13 jan. oktaafdag van Driekoningen, jgt. Willem Schouwers: 1 halster koren.
  • In het oktaaf van Allerheiligen: jgt. Arnold Van den Bosch en echtgenote: daarvoor kreeg de pastoor 1 halster koren, te nemen op het Uilenberghof. (aan de huidige Putstraat en Leempoelstraat)
  • Rond oktober moeten de pastoors van Rode, Kortrijk en Nieuwrode samen een dienst opdragen voor Amelrijk Boete. De pastoor wiens beurt het is te celebreren, moet zijn twee assistenten trakteren.
  • Daarbij moeten nog zes jaargetijden gecelebreerd worden voor overledenen, met na de mis een miserere en De profundis.

Na Stas krijgen we te Rode als pastoor Danis Thomas 1783-1801. Geboren te Zandvliet op 15 mei 1736. Geloften 1758, priester 1760, koster 1761, bacchalaurus theologie 1765, theologie professor abdij van Leffe 1765, terug in Park 1767, verdedigt zijn licentiaatsthesis 1768, onderpastoor Celles 28 dec. 1768, pastoor St-Pieters-Rode 1783. Rector van Jesus-Eik van 1801 tot 1810, jaar van zijn dood. Van Thomas Danis weten we zeker dat hij gedurende verscheidene jaren ondergedoken leefde te St-Pieters-Rode, de parochieregisters zijn niet meer trouw ingevuld - zeer dikwijls vinden we inschrijvingon van doopsels op kleine onooglijke papiertjes. Gedurende de jaren 1798-1800 verdwijnt hij helemaal uit circulatie - was hij, zoals de volksmond nog vertelt - werkelijk als aalmoezenier in dienst van het Boerenleger ? Hij wordt in alle geval hier vervangen door een dienstdoende onderpastoor, Jan Stevens. Te St-Pieters-Rode werden anderzijds de kostbaarheden en schatten van het klooster van Gemp in veiligheid gebracht: ze werden weggestopt in de kelder van een nu nog bestaand gebouw liggende op het gehucht Bekaf.

Feit is dat Danis en zijn onderpastoor van 10 november tot 15 december 1798 geen aantekeningen maakten in de registers. Dit was juist de tijdspanne waarin het beleg van Hasselt en het uiteenslaan van het brigantsleger voordeed. Eveneens staat het vast dat volgens een Frans rapport van 7 dec. 1798 pastoor Danis en Jan Stevens ervan verdacht werden deel uit te maken van het Boerenleger. Ze waren trouwens niet de enige geestelijken die voor outer en heerd in het geweer kwamen. Een priester, geboren te Aarschot, en pastoor van Nattenhaasdonck, G. Huveneers, werd aanzien als opperste leider van het Boerenleger. De leiding van het Boerenleger lag trouwens voor een zeer groot deel in Aarschotse handen (De Boerenkrijg in het departement Nedermaas, Th. Vandebeeck en Fr. J. Grauwels).

Thomas Danis droeg het Franse regime helemaal geen goed hart toe. We weten dat met stellige zekerheid dank zij een archiefstuk, gesteld door pastoor Danis, en medeondertekend door de pastoors van Wezemaal, Nieuwrode, Kortrijk en Houwaart alsmede onderpastoor Wevers, waarbij zij ronduit te kennen geven aan het frans bestuur geen eed van trouw te willen doen. Hier volgt tekstueel de ongedateerde brief, vermoedelijk geschreven rond 1797

A l'administration centrale du departement de la Dyle.

Citoyens administrateurs,

Il vient d'etre publie dans certaines communes du canton d'Aerschot une loi du 1791 et quelques articles de celle du 7 Vendemiaire en 4me la derniere article 5 et 6 nous pretres ont une declaration a faire que d'apres les principes de notre religion nous jugeons de ne pas pouvoir faire en conscience.

La constitution francaise qui accorde la liberte de conscience nous authorise donc a prendre notre recours au corps legislatif et a solliciter votre appui citoyens administrateurs, aupres du meme en lui faisant parvenir notre representation afin que la loi n'ait pas lieu a notre egard, ou du moins que le temps nous soit accorde pour consulter les superieurs ecclesiastiques, pour eclaircir nos consciences.

En attendant nous sommes dans la confiance, qu'on ne nous obligera pas a cesser les offices divins et a occasionner par la le trouble en affection dans les catholiques confies a nos soins spirituels. Salut et Respect

T. B. Van Hamme, cure Nieuwrode B.Provost, Wezemaal
T. Danis, cure de Saint Pieters Rhode M. Rombouts, Cortrijck
J.F. Stevens, vicaire de S. Pieters Rhode F. Boeckx, cure de Houwaart

Na Danis werd pastoor te Rode Van Kessel Godfried, geboren te Diest 18 febr.1757, prof. 1782, priester 1783, onderpastoor Haacht 1789, Werchter 1793, lector in Theologie 1795, voor de tweede maal kortstondig onderpastoor Haacht 1801, pastoor te St-Pieters-Rode 1801. In 1803 gaat bij over tot de pastorie Lubbeek, ingevolge de nieuwe afbakeningen van de parochies. Overleden 1814.

Het massaal verzet van onze klerus kon echter niet verhinderen dat de kerkgoederen en de pastorien werden aangeslagen. Dit droevige nieuws kwam te St-Pieters-Rode aan op 21 pluviose (februari) van het jaar 10 (1802). De decreten tot deze confiscaties waren toen al een jaar oud, maar vermoederlijk bekommerde de pastoor van Rode er zich weinig om, zodat, bij deurwaardersexploot, een drievoudig aanslagbevel kwam, op verzoek van de Rodense burgemeester, Caroles Vanden Panhuyzen de goederen van kerk, pastoor, de renten en huren moesten binnen de acht dagen overgedragen worden aan de "Bureau de Bienfaisance", de openbare onderstand. Dit in uitvoering van de wetten van 4 Ventose en 6 Messidor van 't jaar 9 (1801).

Mellaerts Bruno: geboren te Antwerpen 18 maart 1743, prof. 1764, priester 1767, Bacchal. Theol. 1773, onderpastoor Oosterhout 1775, terug te Park 1779, onderpastoor te Haacht ??, pastoor te Lubbeek 1796, overgeplaatst naar St-Pieters-Rode ingevolge de nieuwe maatregelen nopens de parochiegrenzen. Onder pastoor Mellaerts werd Rode ondergebracht in de dekenij Aarschot (1803). Geeft ontslag als pastoor van St-Pieters-Rode en sterft in de abdij 1817.

Moreels J.B.: geboren te Zichem 6 febr. 1763, intrede in Park 1787, weggejaagd door de Fransen 1789, prof. 1791, priester 1791, onder-cantor 1791, onderpastoor Wakkerzeel 1796, pastoor St-Pieters-Rode 1812. Sterft plots in 1836 op 30 nov. Van hem bezit het parochie-archief een zeer interessante manuale. Dit is de laatste van de heerlijke rij priesters en pastoors die de Abdij van Park naar Rode stuurde. De volgende priesters zijn seculiere geestelijken. Van hen weten we zeer weinig, we beperken ons tot de hoofdzaken.

Uit de manuale van pastoor Moreels weten we, dat de pastoors te Rode nog altijd een brouwerij hadden in de eerste helft der negentiende eeuw. Deze brouwerij was gelegen tussen de huidige pastorieweg en de weg naar Nieuwrode, en werd door de pastoors verhuurd voor 50 gulden 's jaars. In 1820 werd het huurkontrakt gewijzigd, en moest de huurder, Jan Smets, aan de pastoor 2 gulden betalen telkens als hij brouwde.

Uit Moreels'handboek weten we wanneer het nu nog bestaande zilverwerk werd aangekocht: het relikwieschrijn van de H. Wivina en O.L.V. 26 gld. (1821). Welicht kocht ook hij het huidige Wivinabeeld in de kerk.

Zilveren remonstrans wegende 118 onzen aan 1 Franse kroon per ons 380 gld 12 st. (1821). Deze remonstrans was afkomstig van een Zusterklooster in Zichem. Zilveren ampullen 56 gld. (1822) In 1813 liet pastoor Moreels een dreef planten van de kerk naar de pastorie. Jammer dat deze sindsdien weer geroeid werd.

Deze herder bezorgde in 1817 een eerste orgel aan de parochie. Daarover wijden we later uit. Aan hem dankt de parochie ook twee klokken, gegoten te Leuven bij Van de Geyn. Een eerste klok van 1000 pond werd toegewijd aan St-Pieter in 1813. Peter was de Heer Van Binst, meter was diens dochter Anna Carolina. De tweede klok van 700 pond werd op 27 mei 1818 gewijd. Peter was de Heer Van de Schrieck en meter Juffr. Van Binst. Om deze klok te betalen werd in de parochie een lening uitgeschreven, waarop 41 parochianen inschreven, pastoor en burgemeester op kop. (2)

J.B. Willekens pastoor te Rode 1837-1857. Van pastoor Willekens hebben we het "Familieboek van Sinte-Peeters-Rhode", een parochiale volkstelling. In 1850 ging hij van huis tot huis en noteerde in een boekje de namen van de bewoners, hun geboortedatum en -plaats, zelfs de namen van hun voorouders, hier en daar een huwelijks- of een overlijdensdatum.

Van Welde J.B. pastoor 1857-1879. Gedurende dit pastoraat ontstaat een eerste parochiale meisjesschool. Daar er geen lokalen voorhanden waren, werden de klassen ondergebracht in het kasteel van Horst. Links van de ingang hadden we de woning van de zusters en de lagere klassen, rechts waren de kleuterklassen ondergebracht In 1866, op 5 april tussen 2 en 3 uur in de namiddag sloeg de bliksem op de kerktoren die in brand schoot.

Onmiddellijk boden de parochianen hulp bij het bluswerk, zodat alleen de torenspits afbrandde over een lengte van 14 voet (Register ab anno 1831 A.S.R.)

De pastoor bleef na de brand niet verslagen zitten. Onmiddellijk werd een architect aangesteld, dhr Van Arenberg. Er werden vijf dikke eiken geveld en klaargemaakt, een nieuwe haan en kruis, zodat ditzelfde jaar de grootste pijn reeds geleden was. Gelukkig was de toren verzekerd voor 1900 F en schoot men slechts een paar tientallen franks toe aan deze ramp. In 1867 was alles reeds betaald.

Dierckx R. pastoor 1880 - overleden in 1887.

R. Van Camp 1887 - 21.9.1895. In 1893 zorgde pastoor Van Camp voor een nieuwe kerk. De oude werd totaal afgebroken, op uitzondering van de toren. Aanvang met de plannen werd gemaakt in 1891.

De oude kerk moest zoals gezegd tevoren afgebroken, en de nieuwe werd ten dele gebouwd met de materialen van het oude gebouw. Voornamelijk de rode ijzersteen van de oude kerk werd terug gekapt voor bet hergebruik. 450.000 nieuwe kareelstenen moesten worden gebakken te Kessel-lo-Linden. Architect van de nieuwe neo-gotische kerk was dhr. Langerock van Leuven. De totale som van de bouw beliep 51.544 frank. De gemeente kwam tussen voor 10.000 F, de provincie voor 12.000 F. 
Er werd besloten door de kerkfabriek 19 percelen grond te verkopen, een totale oppervlakte van 7 ha 97 a.

Enkele percelen haalden niet de geschatte prijs en werden niet verkocht. Alles samen bracht de verkoop 18 719 Fr. op, terwijl er ook nog voor 670 F bomen werden verkocht. Daarom zag de kerkfabriek zich in 1903

verplicht een lening aan te gaan. Geldschieter was de heer Van Dijck Jan-Bapt. maalder van Aarschot, die op het Schaluin woonde. Tegen 3 1/2 % werden 14.000 Frank geleend. Hoe men de rest der kosten betaald heeft weten we niet. Aannemer der bouwwerken was een firma van Orp-le-Grand, Renoir. Een glazenmaker uit Tienen, Ed. Taes, zorgde voor de ramen ten belope van 894 F. De kerk was goed en wel af in 1894, behalve de zijaltaren, die nog uit de oude kerk werden gehaald. Waar deze gebleven zijn nadat ze in 1911 uit de kerk werden verwijderd, weten we niet.

Smeyers A. 1895 - 6 okt. 1908.

Nadat de kerk werd heropgebouwd in 1893 heeft pastoor Smeyers St-Pieters-Rode een nieuwe meisjesschool gegeven, in het dorp, vlak naast de kerk. De grond hiervoor werd hem aan de hand gedaan door de familie Demarsin. Zo kwam er een einde aan de rol van het kasteel van Horst in het dorpsonderwijs.

De Fanfare moet gesticht zijn rond 1896, blijkens een brief waarin pastoor Smeyers toelating geeft in de processie te spelen aan de meester.

Kondities:
1) hoegenaamd geen beloning van pastoor of kerkfabriek
2) moet met haar vaandel plaatsnemen onmiddellijk voor de kerkzangers en beurtelings met hen "muziekstukken" uitvoeren.
3) de leden zullen zich deftig gedragen onder de processie, en namentlijck zich wachten van te klappen of van de rangen te verlaten om de herbergen in te gaan.
4) de maatschappij zal binst het jaar geen dansvergadering inrichten noch deelnemen aan politieke betogingen tegenstrijdig met den godsdienst. 12 aug. 1896.

Wellens 1909 - 1912.

Joosen 1922 - 1929.

In het schild van pastoor Joosen staat een zitstoel afgebeeld. Wellicht is dit een allusie op het feit dat deze goede herder de laatste jaren van zijn pastoraat bovenmate gekweld werd door een zenuwziekte, waardoor hij niet meer gaan kon.

Mellaerts 1929

Deschamp

Paul Vos

Aan deze kunstzinnige en ijverige pastoor dankt de parochie het schitterende herstel van de pastorie en kerk.

De kruisweg in de kerk werd door hem zelf geschilderd.

De onderpastoors te Sint-Pieters-Rode

De eerste onderpastoor, alzo genoemd, komen we tegen te Rode in 1708 (Boek der Broederschap der Gel. Zielen A.P.R.) Het is Sigardus Waghemaekers, witheer van Park. Die wordt later Supprior in Park en daarna pastoor te Kortrijk.

Zijn opvolger is Aug. Van de Cruys (1714) die wordt achtereenvolgens Supprior van Park, onderpastoor te Werchter en pastoor te Wakkerzeel. Hij overlijdt 02.11.1734.

Sinds het begin van de XVIIIde eeuw vinden we dus de eerste onderpastoors te St-Pieters-Rode, die het klassieke ambt uitoefenen zoals tot voor kort bekend. Dopen, registers inschrijven, sacramenten toedienen enz.

Uit een uitgebreid verslag, niet gedateerd, maar waarschijnlijk ± 1700, halen we het volgende:

Er waren toen aan stenen huizen: het kasteel, de pastorie, een brouwerij en vier herbergen en 47 lemen huizen en boerderijen.

In 1734 ontmoeten we J. Dok, die pastoor te Winge werd.

In 1725 Michael Paessens. Hij werd proost van de abdij van 's Hertogen Eiland Gemp. Ligt door het verband met het feit dat te Rode de kostbaarheden van Gemp verstoken werden in 1789 ?

In 1791 Quirinus Stevens onderpastoor in Rode. Hij doet alle pastoorswerk en schrijft de registers in, hetgeen wijst op een ondergedoken zijn van zijn postoor, Danis, gedurende de Boerenkrijg.

Immers in 1800 komt de pastoor weer aan het daglicht. Stevens wordt dan ± 1802 pastoor te Winge waar bij in 1805 sterft. Als onderpastoor te Rode wordt hij opgevolgd door Jan Van Der Straten in 1803, waarna hij pastoor wordt te Lubbeek in 1814.

Onder het pastoraat van Joossen (1912 - 1922) was er onderpastoor Dossche, witheer van de abdij van Averbode, klaarblijkelijk als hulp voor de fel door ziekte geteisterde dorpsherder. Feit is dat tussen de jaren 1750 - 1900 St-Pieters-Rode een grotere bevolkingsdichtheid kende dan nu, schommelend rond de 1000 zielen, waaraan het feit te wijten is dat er onderpastoors kwamen.

In Rode werden in de loop der tijden enkele vrome genootschappen gesticht. Opvallend is wel dat elke broederschap een tamelijk korte levensduur beschoren was - 150 jaren ten hoogste - en dat ze zo innig samengaan met de heersende spiritualiteit van die jaren. Het meest versierde Broederschapboek is dit der Gelovige Zielen, gesticht door een pauselijke bul van 1685. Andere bullen op perkament van de pausen Clemens XI 1702 bevestiging van de broederschap der Gelovige Zielen en aflaten daaraan verbonden. Clemens XI in 1709 aflaten verbonden aan de mis voor Zielen in het Vagevuur. Pius VIII in 1829 Broederschap H. Wivina. Pius VIII in 1829 Voor al diegenen die in de kerk van Rode bidden voor de eenheid onder de vorsten en het uitroeien der ketterijen op de laatste zondag van augustus tot 17 december.

Vermelden we nog een tamelijk recente broederschap - inmiddels reeds verdwenen - gesticht in 1850: het genootschap der gedurige aanbidding. De leden hiervan verbonden zich ertoe iedere week op een bepaalde dag en uur het H. Sacrament in de kerk te zullen aanbidden gedurende een uur.

Voegen we er nog aan toe dat de pastoors niet alleen toezicht moesten houden op de parochianen of ze hun Pasen wel hielden. Ze gingen eveneens na of hun gelovigen 's zondags en op de feestdagen wel naar de mis gingen. Alleen de parochianen werden 's zondags en op feestdagen toegelaten in de kerk. Is de oude plicht uit de Mechelse Catechismus de Pasen te houden "in de parochiekerk" daarvan nog een overblijfsel ?

Deze geestelijke plichten waren in de 16 de - 17 de - 18 de eeuw tamelijk zwaar. Er waren niet minder dan 43 geboden feestdagen in 1657. Voeg daarbij nog de zondagen. Zodat we tot het besluit komen dat in die tijden, zij het geen betaald, er toch heel wat onbetaald verlof was.

Home Inleiding Zoek Uw naam op in de grootste databank van het Hageland Welke gegevens hebben wij? Sint-Pieters-Rode Welke boeken hebben wij? Enkele volkstellingen uit het Hageland Nuttige links Contact